Archief 745
Inventaris 745-350
Pagina 285
Dossier 2C
Jaar 1941
Stadsarchief

Archiefdocument

5 november 1941. Van: Th.J.A. Seymonsbergen, Albert Cuypstraat 142 III achter, Amsterdam. Aan: WelEd. Heer Directeur van het Marktwezen, Amsterdam.

Origineel

5 november 1941. Th.J.A. Seymonsbergen, Albert Cuypstraat 142 III achter, Amsterdam. WelEd. Heer Directeur van het Marktwezen, Amsterdam. TH. J. A. SEYMONSBERGEN
TELEGRAMADRES „WOOLSEY“
V CODE 1929
GEM. GIRO S. 8140

[Afbeelding van een schaap]

AMSTERDAM, 5 November 1941
Albert Cuypstraat 142 III achter

Aan den WelEd. Heer Directeur van het
Marktwezen
A m s t e r d a m.

№ 25/147/1 M. 1941 6/11

WelEd. Heer,

Ik veroorloof my, my met het volgende verzoek tot U te wenden, temeer waar het thans een broodvraag betreft.

Gedurende de laatste jaren was ik handelaar in ruwe schapenwol, doch sedert het uitbrken [sic] van den oorlog was ik genoodzaakt myn bedryf stop te zetten gezien de maatregelen welke de regeering ten aanzien van den wolhandel heeft genomen. Er was sprake van, dat gedupeerden gedurende de periode dat men niet in staat was zyn bedryf voort te zetten, wachtgeld zouden krygen doch is dit voorstel op den langen baan geschoven, zoodat ik thans genoodzaakt ben iets anders aan te pakken. Waar ik echter gaarne in den handel zou blyven, zou ik Ued. willen verzoeken my eens in te lichten indien mogelyk een vergunning te verstrekken voor het handel dryven in visch of groenten en fruit. Ik zou dan gaarne een standplaats op de Albert Cuypstraat hebben, daar er, nu de Joden aan andere markt is toegewezen, op deze markt wel een plaats beschikbaar zal zyn.

Myn Vader is reeds verscheidene jaren in den vischhandel werkzaam en heb ik hem daar vroeger vaak by geholpen, zoodat ik met dezen handel goed op de hoogte ben.

Indien U zoudt kunnen besluiten my eene vergunning toe te wyzen, zou ik gaarne zoo spoedig mogelyk een bericht van Ued. ontvangen.

[Rechtsonder handgeschreven getal: 25] In deze brief verzoekt Th.J.A. Seymonsbergen de Directeur van het Marktwezen in Amsterdam om een marktvergunning voor de Albert Cuypmarkt. De schrijver was oorspronkelijk handelaar in ruwe wol, maar moest zijn bedrijf staken door oorlogsmaatregelen (waarschijnlijk de Duitse inbeslagname van grondstoffen). Omdat de beloofde financiële steun ("wachtgeld") uitbleef, zoekt hij een nieuwe bron van inkomsten in de handel in vis of groente en fruit.

De meest opvallende passage in de brief is de rechtvaardiging voor de gevraagde plek: de schrijver wijst de directeur erop dat er plaatsen vrijgekomen zijn omdat Joodse marktkooplieden zijn weggestuurd naar specifieke "Jodenmarkten". Hij probeert hiervan gebruik te maken om een standplaats te bemachtigen. Om zijn geschiktheid te benadrukken, vermeldt hij de ervaring van zijn vader in de vishandel. Dit document stamt uit november 1941, een periode tijdens de Duitse bezetting waarin de anti-Joodse maatregelen in Nederland steeds driester en systematischer werden. In september 1941 werd het Joden in Amsterdam verboden om op reguliere markten te staan; zij werden verbannen naar drie speciaal aangewezen "Jodenmarkten" (zoals op het Waterlooplein).

De brief illustreert hoe de vervolging van de Joodse bevolking direct kansen creëerde voor de niet-Joodse bevolking, die zelf ook vaak kampte met economische malaise door de oorlog. De term "broodvraag" onderstreept de penibele financiële situatie van de afzender. Het document is een treffend voorbeeld van hoe de uitsluiting van een bevolkingsgroep in de dagelijkse praktijk werd genormaliseerd en zelfs als argument werd gebruikt bij officiële instanties om persoonlijk voordeel te behalen. J.A. Seymonsbergen Marktwezen

Samenvatting

In deze brief verzoekt Th.J.A. Seymonsbergen de Directeur van het Marktwezen in Amsterdam om een marktvergunning voor de Albert Cuypmarkt. De schrijver was oorspronkelijk handelaar in ruwe wol, maar moest zijn bedrijf staken door oorlogsmaatregelen (waarschijnlijk de Duitse inbeslagname van grondstoffen). Omdat de beloofde financiële steun ("wachtgeld") uitbleef, zoekt hij een nieuwe bron van inkomsten in de handel in vis of groente en fruit.

De meest opvallende passage in de brief is de rechtvaardiging voor de gevraagde plek: de schrijver wijst de directeur erop dat er plaatsen vrijgekomen zijn omdat Joodse marktkooplieden zijn weggestuurd naar specifieke "Jodenmarkten". Hij probeert hiervan gebruik te maken om een standplaats te bemachtigen. Om zijn geschiktheid te benadrukken, vermeldt hij de ervaring van zijn vader in de vishandel.

Historische Context

Dit document stamt uit november 1941, een periode tijdens de Duitse bezetting waarin de anti-Joodse maatregelen in Nederland steeds driester en systematischer werden. In september 1941 werd het Joden in Amsterdam verboden om op reguliere markten te staan; zij werden verbannen naar drie speciaal aangewezen "Jodenmarkten" (zoals op het Waterlooplein).

De brief illustreert hoe de vervolging van de Joodse bevolking direct kansen creëerde voor de niet-Joodse bevolking, die zelf ook vaak kampte met economische malaise door de oorlog. De term "broodvraag" onderstreept de penibele financiële situatie van de afzender. Het document is een treffend voorbeeld van hoe de uitsluiting van een bevolkingsgroep in de dagelijkse praktijk werd genormaliseerd en zelfs als argument werd gebruikt bij officiële instanties om persoonlijk voordeel te behalen.

Genoemde Personen 1

Locaties

Albert Cuypmarkt Waterlooplein

Producten

A.G.F. (Fruit): Fruit A.G.F. (Fruit): Peer A.G.F. (Groenten): Groente A.G.F. (Groenten): Sla Textiel & Kleding: Kleding Textiel & Kleding: Stof Textiel & Kleding: Textiel Vis & Zee: Aal Vis & Zee: Vis Vis & Zee: Visch

Thema's

Jodenster/Maatregelen

Organisaties

Marktwezen

Gerelateerde Documenten 6