Archief 745
Inventaris 745-350
Pagina 289
Dossier 24
Jaar 1941
Stadsarchief

Brief/Verzoekschrift (fragment, waarschijnlijk de tweede pagina).

Ongedateerd (op basis van de inhoud: circa 1941-1942, tijdens de Duitse bezetting).

Origineel

Brief/Verzoekschrift (fragment, waarschijnlijk de tweede pagina). Ongedateerd (op basis van de inhoud: circa 1941-1942, tijdens de Duitse bezetting). [Getypt deel]

voor my geinteresseerd en wil my aan geld helpen, echter met dien verstande dat ik hem kan aantoonen wat ik ga beginnen. Ik heb toen het plan opgevat om in visch te gaan handelen en leek hem dit wel geschikt, doch als ik nu niet kan aantoonen, dat ik een vergunning heb met een vaste plaats op de Albert Cuypstraat, zal de zaak geen doorgang vinden.

Ued. begrypt, dat het zeer riskant is als ik b.v. versche of gerookte visch koop en met dezen handel naar de Albert Cuypstraat kom zonder er zeker van te zyn of ik een plaats kryg.

Waar thans de joden van deze markt verdwenen zyn geeft de geheele markt een leeg aanzien, hetgeen naar ik aaneem toch niet de bedoeling zal zyn. Bovendien gelieve U niet te vergeten, dat de joden in aantal in de minderheid zyn, echter als vischkoopman in de meerderheid, zoodat uiteindelyk de verdeeling niet eerlyk is, waar men niet in de Gaaspstraat mag kopen, derhalve de keus voor de bezoekers van de Albert Cuypstraat niet groot is. Het zou myn inziens niet onbillyk zyn indien U my een vergunning voor een standplaats op de Albert Cuypstraat zou geven, temeer waar ik dan een kans kryg om in het onderhoud van myn gezin te voorzien, waarby U niet uit het oog gelieve te verliezen, dat ik ook maar een oorlogsslachtoffer ben en wel in groote mate, waar ik vroeger behoorlyk verdiende.

U zoudt my ten zeerste verplichten indien U myn verzoek aandachtig zoudt willen overwegen en uiteindelyk het besluit nam myn verzoek in te willigen, waarvoor ik U by voorbaat vriendelyk dank.

Het gaat hier werkelyk om zyn of niet zyn, zoodat ik my veroorloofde U lastig te vallen.

Uwe gunstige berichten gaarne tegemoetziend verblyf ik inmiddels met de meeste hoogachting,

[Handtekening]

[Handgeschreven tekst in linker marge]

P.S. Ik veroorloof mij, UEd. er nog opmerkzaam op te maken, dat mijn vader gedurende 35 jaar vischhandelaar is en ik hem vaak hielp, zoodat ik op dit gebied niet geheel onkundig ben. * Toon en taalgebruik: De brief is geschreven in een formele, enigszins nederige maar dringende toon ("Het gaat hier werkelyk om zyn of niet zyn"). De spelling is kenmerkend voor de vroege 20e eeuw (bijv. 'visch', 'Ued.', 'onbillyk').
* Argumentatie: De schrijver gebruikt drie hoofdargumenten om een standplaats te bemachtigen:
1. Economische noodzaak: Hij moet zijn gezin onderhouden en noemt zichzelf een "oorlogsslachtoffer".
2. Vakbekwaamheid: In het postscriptum benadrukt hij zijn ervaring via zijn vader.
3. Opportunisme/Actualiteit: Het meest opvallende argument is het vertrek van Joodse kooplieden. De schrijver stelt dat de markt "leeg" oogt en dat de balans tussen aanbod en vraag verstoord is nu Joden elders (in de Gaaspstraat) moeten kopen/verkopen.
* Kernpassage: "Waar thans de joden van deze markt verdwenen zyn..." Dit zinsdeel markeert de historische context van de 'arisering' van de Amsterdamse markten. Dit document is een direct gevolg van de anti-Joodse maatregelen tijdens de Duitse bezetting van Nederland. In 1941 werden Joodse marktkooplieden stelselmatig verdreven van de reguliere markten (zoals de Albert Cuyp) en verbannen naar specifieke "Jodenmarkten", waaronder die in de Gaaspstraat.

De brief illustreert hoe niet-Joodse burgers probeerden de economische gaten te vullen die ontstonden door de uitsluiting van hun Joodse stadgenoten. Hoewel de schrijver zichzelf als "oorlogsslachtoffer" presenteert (mogelijk door verlies van eerder werk of inkomen), schroomt hij niet om de deportatie/uitsluiting van Joden als een zakelijk argument te gebruiken om zijn eigen positie te verbeteren. Dit soort verzoekschriften geeft een onthutsend beeld van de morele en economische realiteit van het dagelijks leven onder de bezetting.

Samenvatting

  • Toon en taalgebruik: De brief is geschreven in een formele, enigszins nederige maar dringende toon ("Het gaat hier werkelyk om zyn of niet zyn"). De spelling is kenmerkend voor de vroege 20e eeuw (bijv. 'visch', 'Ued.', 'onbillyk').
  • Argumentatie: De schrijver gebruikt drie hoofdargumenten om een standplaats te bemachtigen:
    1. Economische noodzaak: Hij moet zijn gezin onderhouden en noemt zichzelf een "oorlogsslachtoffer".
    2. Vakbekwaamheid: In het postscriptum benadrukt hij zijn ervaring via zijn vader.
    3. Opportunisme/Actualiteit: Het meest opvallende argument is het vertrek van Joodse kooplieden. De schrijver stelt dat de markt "leeg" oogt en dat de balans tussen aanbod en vraag verstoord is nu Joden elders (in de Gaaspstraat) moeten kopen/verkopen.
  • Kernpassage: "Waar thans de joden van deze markt verdwenen zyn..." Dit zinsdeel markeert de historische context van de 'arisering' van de Amsterdamse markten.

Historische Context

Dit document is een direct gevolg van de anti-Joodse maatregelen tijdens de Duitse bezetting van Nederland. In 1941 werden Joodse marktkooplieden stelselmatig verdreven van de reguliere markten (zoals de Albert Cuyp) en verbannen naar specifieke "Jodenmarkten", waaronder die in de Gaaspstraat.

De brief illustreert hoe niet-Joodse burgers probeerden de economische gaten te vullen die ontstonden door de uitsluiting van hun Joodse stadgenoten. Hoewel de schrijver zichzelf als "oorlogsslachtoffer" presenteert (mogelijk door verlies van eerder werk of inkomen), schroomt hij niet om de deportatie/uitsluiting van Joden als een zakelijk argument te gebruiken om zijn eigen positie te verbeteren. Dit soort verzoekschriften geeft een onthutsend beeld van de morele en economische realiteit van het dagelijks leven onder de bezetting.

Locaties

Amsterdam (betreft de Albert Cuypmarkt).

Gerelateerde Documenten 6