Ambtelijke notitie of ontwerpbrief betreffende marktgelden.
Origineel
Ambtelijke notitie of ontwerpbrief betreffende marktgelden. 21 maart 1941 (stempel en handgeschreven). Bij het vaststellen van het plaats-
geld voor tuinders (f 90.- p. jaar)
is rekening gehouden met het feit, dat
tuinders in het algemeen niet
regelmatig hun plaats bezetten.
B en W hebben zich op het stand-
punt gesteld dat, gezien het geringe
bedrag dat van hen voor plaats-
geld wordt gevraagd, aan tuinders
geen enkele reductie wegens het
niet bezetten van hun plaats kan
worden verleend.
Voor het geval dat tuinders
hun plaats als gevolg van den
oorlogstoestand niet hebben kunnen
bezetten hebben B en W voor 1939/1940
een uitzondering willen maken
en aan een aantal tuinders
kwijtschelding verleend over de volle
kalendermaanden waarin van hun
plaats geen gebruik kon worden
gemaakt. m.i. kan niet verder
worden gegaan en moeten aan
B en W geen voorstellen tot verdere
kwijtschelding worden gedaan.
m.i. accoord en [initialen]
dit aan S. schrijven. 21 MAART 1941 Deze notitie betreft de financiële afwikkeling van staanplaatsgelden voor tuinders op een (waarschijnlijk lokale) markt. De kern van het document is een afweging over coulance:
* Beleid: Het standaardtarief van 90 gulden per jaar houdt er al rekening mee dat tuinders niet elke dag aanwezig zijn. Er wordt dus in principe geen korting gegeven voor afwezigheid.
* Uitzondering: Vanwege de "oorlogstoestand" (de inval in mei 1940 en de daaropvolgende ontregeling) hebben de Burgemeester en Wethouders (B&W) voor de jaren 1939 en 1940 wel kwijtschelding verleend voor maanden waarin de plaatsen onbenut bleven.
* Besluit: De schrijver van de notitie adviseert om deze uitzonderingsregel niet te verlengen. Men vindt dat er genoeg tegemoetkoming is geweest en dat er geen nieuwe voorstellen voor kwijtschelding naar het college van B&W moeten gaan. Het document is gedateerd op 21 maart 1941, bijna een jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. De "oorlogstoestand" waarover gesproken wordt, verwijst naar de mobilisatie, de gevechtshandelingen in mei 1940 en de daaropvolgende beperkingen (zoals vordering van voertuigen of beperkingen in bewegingsvrijheid) die het voor tuinders bemoeilijkten om hun producten op de markt te verkopen.
In deze periode probeerde het lokale bestuur de normale gang van zaken te herstellen terwijl de bezettingsmacht steeds meer controle kreeg over de economie (de Gelijkschakeling). Dit specifieke document toont de ambtelijke kant van die overgang: hoe ga je om met belastingvorderingen en marktgelden in een tijd van schaarste en ontregeling? De beslissing om de kwijtschelding te stoppen duidt op een poging om de gemeentelijke financiën weer te normaliseren na de schok van het eerste oorlogsjaar.