Getypte ambtelijke brief/memorandum (doorslag of stancil).
Origineel
Getypte ambtelijke brief/memorandum (doorslag of stancil). 27 november 1941. De Directeur van het Marktwezen. De Heer Wethouder voor de Levensmiddelen. Bladzijde 2 van brief No.37/57/11 M. d.d. 27 November 1941 aan
den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen van den Directeur
van het Marktwezen.
Ondergeteekenden wijzen er hierbij op, dat de moge-
lijkheid bestaat, dat partij ter andere zijde niet kan voldoen
aan den opslag van 200 vaten spercieboonen, omdat deze onder
andere in verband met den slechten oogst, vrijwel niet zijn
ingemaakt. Hiervoor zullen dan vaten met andere groenten worden
opgeslagen, zoodat toch in ieder geval 1.100 vaten beschikbaar
zijn.
Artikel II en Artikel III blijven ongewijzigd.
Aan Artikel IV worde een nieuwe (eerste) alinea
toegevoegd, luidende:
"Partij ter andere zijde verplicht zich de in arti-
kel I omschreven voorraden op zoo goed mogelijke wijze onder
de tot de Centrale Markt toegelaten kleinhandelaren te verdee-
len, een en ander volgens vanwege partij ter eene zijde vast
te stellen normen onder toezicht en controle van de door partij
ter eene zijde aangewezen ambtenaren".
Omtrent deze aangelegenheid rapporteerde de derde
ondergeteekende U met zijn brief van 22 November jl. No.
37/57/9 M.1941.
De eerste alinea (oud) wordt tweede alinea, terwijl
in de derde alinea wordt gewijzigd de naam W.F.Dijkstra (par-
tij ter andere zijde no.1) in G.Kramer (partij ter andere
zijde no.1), en G.Kramer (partij ter andere zijde no.2) in
P.van Es (partij ter andere zijde no.2); J.Wijnschenk (partij
ter andere zijde no.3) in H.Kuperus (partij ter andere zijde
no.3) en H.van Bladeren (partij ter andere zijde no.4) blijft
dezelfde.
Artikel V blijft ongewijzigd, in Artikel VI wordt
gelezen in plaats van "een bedrag van elf honderd gulden",
"een bedrag van twee duizend twee honderd gulden".
Voor de motiveering van de verhooging van dit be-
drag mogen ondergeteekenden U verwijzen naar de in bijlage
dezes overgelegde notities van de vergadering van 18 November
jl. Daaruit blijkt, dat partij ter andere zijde een vergoeding
heeft gevraagd van f 2,50 per vat, hetgeen door ondergeteeken-
den te hoog werd geacht. Nadien heeft de handel zich bereid
verklaard den opslag te verzorgen voor den prijs van f 2,-
per vat, waarmede ondergeteekenden zich kunnen vereenigen.
Contract stapelproducten (bijlage II van vorengenoemd Besluit
van 6/12 1940).
Artikel I
In plaats van 100.000 kg. uien
150.000 kg. wortelen
wordt gelezen:
250.000 kg. uien
250.000 kg. wortelen Dit document betreft de administratieve afhandeling van wijzigingen in een contract voor de voedselvoorziening tijdens de Tweede Wereldoorlog. De belangrijkste punten in deze brief zijn:
- Oogstproblemen: Er is een tekort aan ingemaakte sperziebonen door een slechte oogst. Dit wordt opgevangen door andere groenten op te slaan, zodat het totaal aantal vaten (1.100) gelijk blijft.
- Distributiecontrole: Er wordt een nieuwe bepaling toegevoegd (Artikel IV) die de "partij ter andere zijde" (waarschijnlijk de handelaren of een veiling) verplicht om voorraden eerlijk te verdelen onder erkende kleinhandelaren van de Centrale Markt, onder strikt toezicht van overheidsambtenaren.
- Personele wijzigingen: Er vindt een verschuiving plaats in de personen die optreden als "partij ter andere zijde", waarbij namen als Dijkstra en Kramer worden vervangen of herverdeeld over verschillende posten.
- Financiële aanpassing: De totale vergoeding in Artikel VI wordt verdubbeld van 1.100 naar 2.200 gulden. Uit de tekst blijkt een onderhandeling over de prijs per vat: de handel vroeg 2,50 gulden, maar de overheid (de ondergetekenden) vond dit te hoog en is akkoord gegaan met 2,00 gulden per vat.
- Opschaling stapelproducten: In een bijlage bij een besluit uit 1940 worden de hoeveelheden uien en wortelen aanzienlijk verhoogd (van respectievelijk 100.000 en 150.000 kg naar 250.000 kg voor beide producten). De datum van het document, 27 november 1941, plaatst de correspondentie midden in de Duitse bezetting van Nederland. Tijdens deze periode was de voedselvoorziening een kritieke en streng gereguleerde aangelegenheid. De "Wethouder voor de Levensmiddelen" en de "Directeur van het Marktwezen" speelden een centrale rol in het beheersen van schaarste en het voorkomen van zwarte handel.
De nadruk op "toezicht en controle" door ambtenaren bij de verdeling van groenten aan de Centrale Markt getuigt van de toenemende grip van de overheid op de distributieketen. De forse verhoging van de voorraden uien en wortelen (stapelproducten) suggereert dat de overheid anticipeerde op grotere tekorten en inzette op producten met een langere houdbaarheid om de winter door te komen. Het document toont de bureaucratische realiteit van de oorlogseconomie, waarbij zelfs oogsttegenslagen en prijsverschillen van 50 cent per vat nauwgezet werden vastgelegd en geaccordeerd.