Notulen/Verslag van een vergadering (pagina 2).
Origineel
Notulen/Verslag van een vergadering (pagina 2). -2-
De heer Smeets stelt de vraag, wat de verliezen zijn van den handel, indien men een vat gedurende twee maanden op de Centrale Markt reserveert. Dat vat komt na deze twee maanden toch weer geheel ter beschikking van den groothandel. Naar spreker’s meening verliest derhalve deze handel alleen de rente van het kapitaal.
De heer Kramer antwoordt hierop, dat de artikelen zijn geblokkeerd. De handel kan er niet aan komen, terwijl het momenteel onmogelijk is om er andere vaten voor den normalen handel voor in de plaats te krijgen.
De heer Kuperus zegt, dat men zich teveel baseert op de vergoeding, die verleden jaar is gecalculeerd, namelijk f 1,- per vat. Spreker zegt, dat wanneer men eerst de vaten moet opslaan in dezen tijd, dit ongeveer f 2.500,- kost, tegen 5% rente is f 125,- per jaar.
De heer Smeets antwoordt, dat men bij de huidige calculatie komt op een rente-vergoeding van 10% per vat. Naar spreker’s meening moeten de kosten worden geanalyseerd. Het moet vaststaan, dat de vergoeding van de Gemeente niet aan den hoogen kant is.
De heer Van Meurs zegt nog, dat voorop moet staan, dat de Gemeente niets geschonken krijgt. Men kan derhalve alle kosten in rekening brengen, want tenslotte bewijst de handel aan de Gemeente een dienst. Spreker is echter in het geheel niet overtuigd, dat dit bedrag van f 2,50 te verantwoorden is; dit is zeer zeker aan den hoogen kant. Spreker wijst erop, dat de vertegenwoordigers van de Gemeente natuurlijk met reeële cijfers bij het Gemeentebestuur moeten komen.
De heer Smeets geeft in overweging, dat de handel een nieuwe reeële gespecificeerde opgave van alle kosten indient; de Gemeente kan dan beoordeelen of deze kostenopgave juist is of niet.
De heer Van Eg zegt nog, dat de handel verleden jaar niet is uitgekomen met de vergoeding van f 1,- per vat. Er zijn toen verschillende deelnemers geweest, die een verlies hebben geleden. Spreker zegt toe een nieuwe specificatie van de kosten te zullen indienen. Spreker memoreert nog, dat Amsterdam voor wat betreft de winteropslag een lichtend voorbeeld is geweest voor het geheele land. Dit beteekent natuurlijk niet, dat de Gemeente hiervoor een extra-vergoeding moet betalen, doch wel staat naar spreker’s meening vast, dat hoe men de onkosten ook calculeert, de handel niet bereid zal zijn om voor een lager bedrag dan f 2,50 per vat op te slaan. Spreker wijst nog op de service, die de handel aan de Gemeente bewijst. De handel houdt de vaten namelijk onder zijn eigen berusting, zoodat iedere dag contrôle kan worden gehouden op de slechte vaten. De vertegenwoordigers van den groothandel verlaten de vergadering. Het document verslaat een zakelijke discussie over de hoogte van een opslagvergoeding voor vaten. Er is een duidelijk conflict tussen de belangen van de Gemeente (die de kosten laag wil houden) en de groothandel (die de vergoeding wil verhogen van 1 gulden naar 2,50 gulden).
Belangrijke argumenten die worden aangevoerd:
1. Rentederving: De groothandel kan niet bij zijn kapitaal (de vaten) zolang deze gereserveerd zijn.
2. Schaarste: Het is momenteel onmogelijk om vervangende vaten te verkrijgen.
3. Exploitatiekosten: De handel stelt dat de eerdere vergoeding van f 1,- tot verlies leidde.
4. Service: De handel claimt dat zij een dienst bewijzen door de vaten zelf te beheren en te controleren. Deze tekst is kenmerkend voor de naoorlogse periode in Nederland (of de vroege jaren '50), waarin de overheid (de Gemeente) nauw betrokken was bij de distributie en opslag van goederen via centrale marktplaatsen (zoals de Centrale Markthallen in Amsterdam). De discussie weerspiegelt een tijd van schaarste en strikte prijsbeheersing, waarbij elke kostenpost nauwkeurig moest worden verantwoord aan het gemeentebestuur. De vermelding van "Amsterdam als lichtend voorbeeld" suggereert dat dit overleg mogelijk in een andere stad plaatsvond, of dat Amsterdamse normen als landelijke standaard werden gezien.