Handgeschreven verzoekschrift/notitie op een los blad papier.
Origineel
Handgeschreven verzoekschrift/notitie op een los blad papier. 13 november 1941. A.dam. 13-11-'41.
Hiermede verzoekt
L.C. Brave wonende v. Hogen_
dorpstr. 59^I Stiefzoon van
F.J. Biesenbeek Jac. Catskade 1^III
een toewijzing voor visch en
voor mosselen. Ik vent in
West.
[Signatuur: Brave]
20 - 20
No 46A/87/1 M.1941 15/11 Het document is een formeel verzoek van L.C. Brave aan een onbekende instantie (vermoedelijk een distributiekantoor of marktwezen) voor een toewijzing van vis en mosselen. Brave dient dit verzoek in voor zijn stiefzoon, F.J. Biesenbeek.
Uit de tekst blijkt dat de stiefzoon een 'venter' is in Amsterdam-West. Gezien de datum (november 1941) bevindt Nederland zich in het tweede jaar van de Duitse bezetting. Voedsel en handelswaar waren schaars en strikt gereguleerd via een bonnensysteem en officiële toewijzingen. Zonder zo'n toewijzing was legale handel in deze producten niet mogelijk.
De adressen (Van Hogendorpstraat 59-I en Jacob Catskade 1-III) bevinden zich beide in de Staatsliedenbuurt in Amsterdam-West, wat aansluit bij de opmerking "Ik vent in West". De getallen "20-20" en de paarse administratieve code onderaan ("No 46A/87/1 M.1941 15/11") zijn waarschijnlijk registratienummers van de verwerkende instantie. De datum 15/11 duidt op de datum van verwerking of ontvangst door de administratie. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was de schaarste in Nederland groot. Vanaf 1940 werden steeds meer producten 'op de bon' gezet. Voor kleine zelfstandigen, zoals straatventers, was het essentieel om officiële toewijzingen te krijgen om hun beroep te kunnen blijven uitoefenen en in hun levensonderhoud te voorzien.
Vismarkten en de verkoop van mosselen waren belangrijke onderdelen van de Amsterdamse voedselvoorziening, zeker in volksbuurten zoals Amsterdam-West. Dergelijke documenten geven een inkijkje in de bureaucratische realiteit van het dagelijks leven onder de bezetting, waarbij voor de simpelste economische activiteiten officiële toestemming nodig was. De strakke handgeschreven letters en de zakelijke toon zijn kenmerkend voor dergelijke verzoeken uit die periode. F.J. Biesenbeek L.C. Brave Marktwezen
Samenvatting
Het document is een formeel verzoek van L.C. Brave aan een onbekende instantie (vermoedelijk een distributiekantoor of marktwezen) voor een toewijzing van vis en mosselen. Brave dient dit verzoek in voor zijn stiefzoon, F.J. Biesenbeek.
Uit de tekst blijkt dat de stiefzoon een 'venter' is in Amsterdam-West. Gezien de datum (november 1941) bevindt Nederland zich in het tweede jaar van de Duitse bezetting. Voedsel en handelswaar waren schaars en strikt gereguleerd via een bonnensysteem en officiële toewijzingen. Zonder zo'n toewijzing was legale handel in deze producten niet mogelijk.
De adressen (Van Hogendorpstraat 59-I en Jacob Catskade 1-III) bevinden zich beide in de Staatsliedenbuurt in Amsterdam-West, wat aansluit bij de opmerking "Ik vent in West". De getallen "20-20" en de paarse administratieve code onderaan ("No 46A/87/1 M.1941 15/11") zijn waarschijnlijk registratienummers van de verwerkende instantie. De datum 15/11 duidt op de datum van verwerking of ontvangst door de administratie.
Historische Context
Tijdens de Tweede Wereldoorlog was de schaarste in Nederland groot. Vanaf 1940 werden steeds meer producten 'op de bon' gezet. Voor kleine zelfstandigen, zoals straatventers, was het essentieel om officiële toewijzingen te krijgen om hun beroep te kunnen blijven uitoefenen en in hun levensonderhoud te voorzien.
Vismarkten en de verkoop van mosselen waren belangrijke onderdelen van de Amsterdamse voedselvoorziening, zeker in volksbuurten zoals Amsterdam-West. Dergelijke documenten geven een inkijkje in de bureaucratische realiteit van het dagelijks leven onder de bezetting, waarbij voor de simpelste economische activiteiten officiële toestemming nodig was. De strakke handgeschreven letters en de zakelijke toon zijn kenmerkend voor dergelijke verzoeken uit die periode.