Officiële brief / Oproeping
Origineel
Officiële brief / Oproeping 26 mei 1941 De Directeur (van een niet nader genoemde gemeentelijke dienst of instelling, mogelijk gerelateerd aan de Centrale Markthallen) Den Heer J. Pekel, Camperstraat 5, Amsterdam-Oost (Wijk 11) [Handgeschreven in blauw:] laten
[Getypt:]
HG.
den Heer J.Pekel,
Camperstraat 5,
Amsterdam-Oost.
Wijk 11.
53/31/2 M.
26 Mei 1941.
Oproeping.
Naar aanleiding van Uw brief d.d. 22 Mei jl. verzoek ik
U zich te willen vervoegen bij den bedrijfschef van mijn dienst,
den heer J.Broerse, die kantoorhoudt in de Centrale Hal, No.H.69,
des voormiddags tusschen 9 en 10 uur.
De Directeur, * Taal en spelling: Het document is opgesteld in formeel Nederlands met de toen gebruikelijke spelling (bijv. "den heer", "tusschen").
* Inhoud: De brief is een reactie op een schrijven van de heer Pekel van enkele dagen daarvoor (22 mei). Hij wordt ontboden voor een gesprek met de bedrijfschef, de heer J. Broerse.
* Locatie: De afspraak vindt plaats in de "Centrale Hal, No.H.69". Dit verwijst zeer waarschijnlijk naar de Centrale Markthallen aan de Jan van Galenstraat in Amsterdam, waar verschillende administratieve en logistieke diensten waren gevestigd.
* Toon: De toon is strikt zakelijk en dwingend ("verzoek ik U zich te willen vervoegen"). * Historische periode: De brief dateert van mei 1941, ruim een jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. Dit was een periode waarin de druk op de Joodse bevolking in Amsterdam door de bezetter en het collaborerende ambtenarenapparaat sterk werd opgevoerd.
* De geadresseerde: Het adres Camperstraat 5 in Amsterdam-Oost was een pand waar in die periode meerdere Joodse gezinnen woonden. Archiefonderzoek (zoals bij het Joods Monument) bevestigt dat Jacob Pekel (geboren in 1898) op dit adres woonde. Hij werd later, in 1943, via Westerbork gedeporteerd naar Sobibor en daar vermoord.
* Betekenis: Hoewel de brief op zichzelf een routineuze administratieve oproep lijkt, moet deze gezien worden in het kader van de bureaucratische controle op de Joodse bevolking. Oproepen voor gesprekken bij officiële instanties of de Centrale Markthallen (waar soms ook distributie- of werkzaken werden geregeld) waren in deze tijd vaak de opmaat naar verdere beperkende maatregelen, tewerkstelling of registratie. De handgeschreven notitie "laten" zou kunnen duiden op een instructie voor verdere archivering of het uitstellen van een actie. J. Broerse J. Pekel