Brief (verzoekschrift)
Origineel
Brief (verzoekschrift) 5 oktober 1941 B.E.J. Duncker, Zeeburgerdijk 163b, Amsterdam No 53/76/1 M.1941 7/10
Amsterdam 5-10-'41
m. th. Broerse
Zeer Geachte Heeren.
Ik had een vriendelijk verzoek aan u, pr. t. of ik drie expediteurskaarten van u kan krijgen, om met mijn auto en twee knechts op de groentemarkt aardappelen enz groente te vervoeren.
De namen van de heren waar ik dan voor rijd zijn:
G. G. Bruin Javastr 70. A. dam (O)
C. J. Ravensbergen Halmaherastr 6. A. dam (O)
J. Koppendol Tidorestr 19 A. dam (O)
De namen van de twee knechts (mijn zoons) zijn
A. G. Duncker en R. Duncker beide wonend Zeeburgerdijk 163b A. dam (O)
Mijn naam is B. E. J. Duncker. Zeeburgerdijk 163b
Hopende op uw medewerking reken ik in afwachting.
Hoogachtend.
B. E. J. Duncker
Zeeburgerdijk 163 b
53 * Inhoud: B.E.J. Duncker verzoekt om drie 'expediteurskaarten' (vervoersvergunningen). Hiermee wil hij met zijn auto en zijn twee zoons als assistenten (knechts) aardappelen en groenten vervoeren op de groentemarkt.
* Personen:
* B.E.J. Duncker: De ondernemer/vader.
* A.G. Duncker & R. Duncker: De zoons van de afzender.
* G.G. Bruin, C.J. Ravensbergen & J. Koppendol: De beoogde klanten voor wie het transport uitgevoerd zal worden.
* Locatie: Alle genoemde adressen (Javastraat, Halmaherastraat, Tidorestraat en Zeeburgerdijk) bevinden zich in de Indische Buurt in Amsterdam-Oost.
* Staat van het document: Het betreft een handgeschreven brief in een duidelijk leesbaar cursief handschrift op gelinieerd papier. Er is een administratief stempel of aantekening met de naam "m. th. Broerse" zichtbaar. De brief is geschreven in oktober 1941, tijdens de Duitse bezetting van Nederland in de Tweede Wereldoorlog. In deze periode was de distributie van voedsel en het goederenvervoer aan strikte regels gebonden. Vervoerders hadden officiële vergunningen of 'kaarten' nodig om hun werk legaal te mogen uitoefenen en om toegang te krijgen tot de groothandelsmarkten (zoals de Centrale Markthallen in Amsterdam-West).
Dit document illustreert hoe een kleine familieonderneming probeerde te overleven binnen het bureaucratische systeem van de bezettingstijd. De nadruk op het feit dat de knechts de eigen zoons zijn, kan duiden op een poging om aan te tonen dat het een legitiem familiebedrijf betreft, wat in die tijd vaak hielp bij het verkrijgen van gunsten of ontheffingen. A.G. Duncker B.E.J. Duncker C.J. Ravensbergen G. Bruin G. Duncker G.G. Bruin J. Duncker J. Koppendol J. Ravensbergen R. Duncker