Handgeschreven brief (verzoekschrift).
Origineel
Handgeschreven brief (verzoekschrift). 27 maart 1941. L. Bolle, woonachtig aan de 2e Boerhaavestraat 73 hs, Amsterdam. De WelEd. Heer Directeur van de Centrale Markthallen, Amsterdam. [Linksboven, gestempeld/geschreven:]
Nº 66 / o / 1 M. 1941 29/3
[Rechtsboven:]
Amsterdam 27 Maart 1941.
[Adres:]
Den Wel. Ed. Heer Directeur
der Centrale Markthallen
Amsterdam.
[Aantekeningen in de kantlijn/midden rechts in rood en potlood:]
Dit
m
Th. Brouse
H. Müller
[Aanhef:]
Wel. Ed. Heer,
[Inhoud:]
Hiermede verzoek ik U beleefd
indien mogelijk, mijn jaarplaats in een
maandplaats te willen veranderen, met
ingang van 1 April 1941.
Hopende dat U aan mijn
verzoek zult voldoen, daar er op het
ogenblik voor mij moeilijk handel te
krijgen is, bij voorbaat dankend,
[Groet:]
Hoogachtend,
[Handtekening:]
L. Bolle
[Adres onderaan:]
2e Boerhaavestr. 73 HS. In deze korte, zakelijke brief verzoekt L. Bolle de directeur van de Amsterdamse Centrale Markthallen om een administratieve wijziging van zijn staanplaats. De schrijver wil zijn 'jaarplaats' omzetten naar een 'maandplaats' per 1 april 1941.
De reden die Bolle hiervoor opgeeft, is veelzeggend: "daar er op het ogenblik voor mij moeilijk handel te krijgen is". Dit wijst op economische malaise of distributieproblemen. De brief is formeel en beleefd van toon, passend bij de zakelijke correspondentie van die tijd. De diverse namen en krabbels in de marge (zoals 'Th. Brouse' en 'H. Müller') duiden op de interne afhandeling door de marktmeesters of administratieve ambtenaren van de Markthallen. Het document dateert van maart 1941, bijna een jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. De Centrale Markthallen aan de Jan van Galenstraat vormden het hart van de voedseldistributie in Amsterdam.
De opmerking over het moeilijk verkrijgen van handel is cruciaal. In 1941 nam de schaarste toe en werden de distributieregels strenger. Bovendien woonde de afzender in de 2e Boerhaavestraat, een straat in de Oosterparkbuurt waar veel Joodse Amsterdammers woonden. Voor Joodse marktkooplieden werd het werk in deze periode stapsgewijs onmogelijk gemaakt door anti-Joodse maatregelen van de bezetter. Hoewel de brief zelf niet expliciet over vervolging spreekt, past de economische noodkreet in het grotere plaatje van de uitsluiting en verarming van (Joodse) handelaren in het tweede oorlogsjaar. Kort na dit schrijven, in september 1941, kregen Joodse handelaren een algeheel verbod om nog op de reguliere markten te staan. L. Bolle