Archiefdocument
Origineel
11 april 1941. De Directeur (van het Amsterdamse Marktwezen). den Heer R.J. Koot, Marnixstraat 137 III, Amsterdam-Centrum. extra
HG.
den Heer R.J.Koot,
Marnixstraat 137 III,
Amsterdam-Centrum.
Wijk 9.
76/4/2 M. 11 April 1941.
Naar aanleiding van Uw brief d.d. 18 Maart jl. verleen
ik U hierbij vrijstelling van Uw verplichting om geregeld Uw
plaats op de markt Jan Evertsenstraat in te nemen gedurende den
tijd, dat U in Frankrijk werkt.
U dient er echter zorg voor te dragen, dat het ook
tijdens Uw afwezigheid verschuldigde marktgeld geregeld wekelijks
bij den dienstdoenden marktambtenaar wordt betaald.
De Directeur, In dit document verleent de directeur van het Amsterdamse marktwezen een officiële vrijstelling aan de heer R.J. Koot. De heer Koot had een vaste standplaats op de markt in de Jan Evertsenstraat, maar kon deze niet persoonlijk bezetten omdat hij in Frankrijk werkzaam was.
De brief stelt twee belangrijke voorwaarden:
1. De vrijstelling is tijdelijk en gekoppeld aan de duur van de werkzaamheden in Frankrijk.
2. De financiële verplichting blijft bestaan: het wekelijkse "marktgeld" moet doorbetaald worden aan de dienstdoende ambtenaar, ondanks de fysieke afwezigheid van de koopman. Dit was essentieel voor het behoud van de vergunning op de lange termijn. De datum van de brief, 11 april 1941, is cruciaal voor het begrip van de situatie. Nederland bevond zich in het eerste jaar van de Duitse bezetting. In deze periode vertrokken veel Nederlandse mannen naar het buitenland (vaak Duitsland of bezet Frankrijk) om te werken. Soms gebeurde dit vrijwillig uit economische noodzaak, soms onder toenemende druk van de bezetter (de Arbeitseinsatz).
De Jan Evertsenstraat in Amsterdam-West was een belangrijke handelslocatie. Voor marktkooplieden was het essentieel om hun vergunning niet te verliezen tijdens hun afwezigheid. De gemeente Amsterdam werkte hieraan mee door dergelijke vrijstellingen te verlenen, mits de stad haar inkomsten uit het marktgeld niet misliep. De term "Wijk 9" in de adressering verwijst naar de toenmalige administratieve indeling van de stad. Koot had (De heer) R.J. Koot Gemeente Amsterdam Marktwezen
Samenvatting
In dit document verleent de directeur van het Amsterdamse marktwezen een officiële vrijstelling aan de heer R.J. Koot. De heer Koot had een vaste standplaats op de markt in de Jan Evertsenstraat, maar kon deze niet persoonlijk bezetten omdat hij in Frankrijk werkzaam was.
De brief stelt twee belangrijke voorwaarden:
1. De vrijstelling is tijdelijk en gekoppeld aan de duur van de werkzaamheden in Frankrijk.
2. De financiële verplichting blijft bestaan: het wekelijkse "marktgeld" moet doorbetaald worden aan de dienstdoende ambtenaar, ondanks de fysieke afwezigheid van de koopman. Dit was essentieel voor het behoud van de vergunning op de lange termijn.
Historische Context
De datum van de brief, 11 april 1941, is cruciaal voor het begrip van de situatie. Nederland bevond zich in het eerste jaar van de Duitse bezetting. In deze periode vertrokken veel Nederlandse mannen naar het buitenland (vaak Duitsland of bezet Frankrijk) om te werken. Soms gebeurde dit vrijwillig uit economische noodzaak, soms onder toenemende druk van de bezetter (de Arbeitseinsatz).
De Jan Evertsenstraat in Amsterdam-West was een belangrijke handelslocatie. Voor marktkooplieden was het essentieel om hun vergunning niet te verliezen tijdens hun afwezigheid. De gemeente Amsterdam werkte hieraan mee door dergelijke vrijstellingen te verlenen, mits de stad haar inkomsten uit het marktgeld niet misliep. De term "Wijk 9" in de adressering verwijst naar de toenmalige administratieve indeling van de stad.