Handgeschreven verzoekschrift.
Origineel
Handgeschreven verzoekschrift. 9 december 1941. J. de Vries, woonachtig aan de Hemonystraat 37 te Amsterdam. $N^o$ 85/26/1 M. 1941 10/12
Adam 9 Dec 1941 [paraaf]
No
Ondergeteekende vaste standplaatshouder
van de markt Waterlooplein gebruikt sinds vijf jaar eigen
materiaal, en is mij op de hulpmarkt Waterlooplein
een zoodanige ongunstige plaats aangewezen dat ik
verplicht ben iederen dag mee te loten.
Daar de omstandigheden op deze markt
zoo zijn dat ik geen extra kosten van kraamhuur kan
betalen, verzoek ik beleefd ook op een lootplaats mijn
eigen materiaal te mogen gebruiken.
Met Hoogachting
J de Vries
Hemonystraat 37. De brief is een formeel verzoek van een marktkoopman, J. de Vries, aan de marktautoriteiten. De schrijver is een vaste standplaatshouder op de Waterloopleinmarkt en heeft altijd gewerkt met eigen materiaal (een eigen kraam of kar). Door een administratieve wijziging of herindeling is hij op de "hulpmarkt" geplaatst op een ongunstige plek. Hierdoor wordt hij gedwongen deel te nemen aan de dagelijkse loting voor een betere plek.
Het knelpunt is van financiële aard: bij de toegewezen lootplaatsen is het blijkbaar gebruikelijk of verplicht om een kraam te huren. De Vries voert aan dat hij de extra kosten voor deze "kraamhuur" niet kan betalen en verzoekt daarom om dispensatie om zijn eigen materiaal te mogen blijven gebruiken op de lootplaatsen. De brief getuigt van de economische druk op kleine zelfstandigen in die periode. Het document stamt uit december 1941, tijdens de Duitse bezetting van Nederland. De Waterloopleinmarkt was historisch gezien het hart van de Joodse koopmansgeest in Amsterdam. In 1941 werden de anti-Joodse maatregelen van de bezetter steeds nijpender. Joodse handelaren werden gesegregeerd en mochten alleen nog op speciaal aangewezen markten of marktdelen staan (de zogenaamde 'hulpmarkten' of Joodse markten).
De vermelding van de "hulpmarkt Waterlooplein" in combinatie met het jaartal 1941 en het adres (de Hemonystraat in de Pijp was een buurt met veel Joodse bewoners) suggereert dat dit verzoek geplaatst moet worden in de context van de toenemende beperkingen voor Joodse Amsterdammers. De onmogelijkheid om kraamhuur te betalen wijst op de verarming die veel Joodse ondernemers trof doordat hun middelen van bestaan stelselmatig werden afgebroken. J. de Vries
Samenvatting
De brief is een formeel verzoek van een marktkoopman, J. de Vries, aan de marktautoriteiten. De schrijver is een vaste standplaatshouder op de Waterloopleinmarkt en heeft altijd gewerkt met eigen materiaal (een eigen kraam of kar). Door een administratieve wijziging of herindeling is hij op de "hulpmarkt" geplaatst op een ongunstige plek. Hierdoor wordt hij gedwongen deel te nemen aan de dagelijkse loting voor een betere plek.
Het knelpunt is van financiële aard: bij de toegewezen lootplaatsen is het blijkbaar gebruikelijk of verplicht om een kraam te huren. De Vries voert aan dat hij de extra kosten voor deze "kraamhuur" niet kan betalen en verzoekt daarom om dispensatie om zijn eigen materiaal te mogen blijven gebruiken op de lootplaatsen. De brief getuigt van de economische druk op kleine zelfstandigen in die periode.
Bron-evidence
8
Ondergeteekende vaste standplaatshouder van de markt Waterlooplein gebruikt sinds vijf jaar eigen materiaal
is mij op de hulpmarkt Waterlooplein een zoodanige ongunstige plaats aangewezen
verzoek ik beleefd ook op een lootplaats mijn eigen materiaal te mogen gebruiken
Daar de omstandigheden op deze markt zoo zijn dat ik geen extra kosten van kraamhuur kan betalen
J de Vries Hemonystraat 37
J de Vries Hemonystraat 37
Ondergeteekende vaste standplaatshouder van de markt Waterlooplein
is mij op de hulpmarkt Waterlooplein een zoodanige ongunstige plaats aangewezen
Historische Context
Het document stamt uit december 1941, tijdens de Duitse bezetting van Nederland. De Waterloopleinmarkt was historisch gezien het hart van de Joodse koopmansgeest in Amsterdam. In 1941 werden de anti-Joodse maatregelen van de bezetter steeds nijpender. Joodse handelaren werden gesegregeerd en mochten alleen nog op speciaal aangewezen markten of marktdelen staan (de zogenaamde 'hulpmarkten' of Joodse markten).
De vermelding van de "hulpmarkt Waterlooplein" in combinatie met het jaartal 1941 en het adres (de Hemonystraat in de Pijp was een buurt met veel Joodse bewoners) suggereert dat dit verzoek geplaatst moet worden in de context van de toenemende beperkingen voor Joodse Amsterdammers. De onmogelijkheid om kraamhuur te betalen wijst op de verarming die veel Joodse ondernemers trof doordat hun middelen van bestaan stelselmatig werden afgebroken.