Archiefdocument
Origineel
13 maart 1941. 13/3/1941
N= 86/7/3 M. 1941 13/3
Nummer 85/7/2 M Just.
Zeer Geachte Directeur
Naar aanleiding van uw Brief die
aan Mijn adres gezonde is heb ik
vernomen als dat u mij verkeert
Begrepen heeft ik heb u geschreven
in den vorige Brief van 4 Maart
j.l. als dat het verkeert is
opgenomen ik heb geschreven als
dat Hartog Brander Zwanenburg
wal 66 centrum is opgenomen
Maar met de Bedoeling niet
in een ziekenhuis maar door de
Duitse politie die hebben hem
opgepakt van zijn kar met handel
en meegenomen waar naartoe
dat weten wij niet de Markt
kaarten van Waterlooplein en
Mosplein die heeft hij Bij zich
Zoo doende kan ik ze niet in
leveren dus het a.s. zondag al
3 weken als dat Hartog weg is
z - o - z De brief is een reactie op een eerdere correspondentie van een directeur (vermoedelijk van de Amsterdamse Marktdienst). De schrijver probeert een cruciaal misverstand recht te zetten: in een brief van 4 maart had de schrijver gemeld dat Hartog Brander was "opgenomen". De instantie heeft dit blijkbaar opgevat als een medische opname in een ziekenhuis.
De schrijver verduidelijkt dat Hartog Brander niet ziek is, maar door de Duitse politie is "opgepakt" terwijl hij met zijn kar en handelswaar aan het werk was. De familie weet niet waar hij naartoe is gebracht. Omdat hij rechtstreeks vanaf zijn werkplek is afgevoerd, heeft hij zijn marktvergunningen (kaarten voor het Waterlooplein en het Mosplein) nog bij zich. Hierdoor is het voor de familie onmogelijk om deze kaarten officieel in te leveren. De brief eindigt met de constatering dat Hartog op dat moment al bijna drie weken wordt vermist. Deze brief is een indringend tijdsdocument uit de periode vlak na de Februaristaking van 1941. De staking was een protest tegen de gewelddadige razzia's op Joodse Amsterdammers. Hartog Brander, een Joodse marktkoopman wonend aan de Zwanenburgwal in de Joodse buurt, was een van de slachtoffers van deze vroege vervolging.
De brief illustreert de wrange botsing tussen de bureaucratische werkelijkheid (het terugeisen van vergunningen door de gemeente) en de gewelddadige terreur van de Duitse bezetter. Terwijl de familie in doodsangst en onzekerheid verkeerde over de verblijfplaats van Hartog, liep de administratieve correspondentie over marktkaarten gewoon door. Historische gegevens bevestigen dat Hartog Brander werd gedeporteerd en op 31 augustus 1941 in concentratiekamp Mauthausen om het leven is gekomen. Politie
Samenvatting
De brief is een reactie op een eerdere correspondentie van een directeur (vermoedelijk van de Amsterdamse Marktdienst). De schrijver probeert een cruciaal misverstand recht te zetten: in een brief van 4 maart had de schrijver gemeld dat Hartog Brander was "opgenomen". De instantie heeft dit blijkbaar opgevat als een medische opname in een ziekenhuis.
De schrijver verduidelijkt dat Hartog Brander niet ziek is, maar door de Duitse politie is "opgepakt" terwijl hij met zijn kar en handelswaar aan het werk was. De familie weet niet waar hij naartoe is gebracht. Omdat hij rechtstreeks vanaf zijn werkplek is afgevoerd, heeft hij zijn marktvergunningen (kaarten voor het Waterlooplein en het Mosplein) nog bij zich. Hierdoor is het voor de familie onmogelijk om deze kaarten officieel in te leveren. De brief eindigt met de constatering dat Hartog op dat moment al bijna drie weken wordt vermist.
Historische Context
Deze brief is een indringend tijdsdocument uit de periode vlak na de Februaristaking van 1941. De staking was een protest tegen de gewelddadige razzia's op Joodse Amsterdammers. Hartog Brander, een Joodse marktkoopman wonend aan de Zwanenburgwal in de Joodse buurt, was een van de slachtoffers van deze vroege vervolging.
De brief illustreert de wrange botsing tussen de bureaucratische werkelijkheid (het terugeisen van vergunningen door de gemeente) en de gewelddadige terreur van de Duitse bezetter. Terwijl de familie in doodsangst en onzekerheid verkeerde over de verblijfplaats van Hartog, liep de administratieve correspondentie over marktkaarten gewoon door. Historische gegevens bevestigen dat Hartog Brander werd gedeporteerd en op 31 augustus 1941 in concentratiekamp Mauthausen om het leven is gekomen.