Ambtelijke brief/nota.
Origineel
Ambtelijke brief/nota. 9 april 1941. Onbekend ambtelijk orgaan (mogelijk een afdeling Marktwezen of Financiën), ondertekend/geparafeerd door "M. Müller". M/HG.
99/2/1 M.
= 1 /
[Handgeschreven: M. Müller]
[Handgeschreven: Verzonden 10/4]
9 April 1941.
Vaststelling monopolierechten verschuldigd door N.V. Service voor het eerste kalenderhalfjaar 1941.
den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen, Alhier.
Onder verwijzing naar mijn brief van 12 September 1940 No. 99/5/2 M. heb ik de eer U in bijlage dezes te doen toekomen een balans per 31 December 1940 ingediend door de N.V. Service op grond waarvan het door voornoemde N.V. te betalen monopolierecht voor het eerste halfjaar 1941 moet worden vastgesteld.
In een mondelinge bespreking heeft de Directie der N.V. Service mij medegedeeld, dat de verkoop van benzine als gevolg van de buitengewone omstandigheden steeds terugloopt en dat zij nog slechts één benzinepompinstallatie in gebruik heeft, terwijl de dieselpomp wegens het verbod van verkoop van dieselolie geheel buiten werking moest worden gesteld. Volgens de door haar verstrekte gegevens bedroeg de verkoop van benzine in de maanden Januari, Februari en Maart 1940 respectievelijk 17.712, 18.315 en 21.600 liter en in dezelfde maanden van 1941 slechts 13.200, 9.400 en 5.600 liter (laatste cijfer tot en met 22 Maart).
Zij verwacht, dat de verkoop van benzine, gezien de steeds verminderde toewijzing van dit artikel, nog belangrijk zal dalen en zij vrees[t], dat een loonende exploitatie van haar bedrijf voor 1941 niet mogelijk zal blijken te zijn.
Onder verwijzing naar den brief van de Directie der genoemde N.V. aan Burgemeester en Wethouders d.d. 2 October 1939 en het antwoord daarop d.d. 4 November 1939 No. 705 L.M. 1938 merk ik op, dat van een verhooging van het bedrag voor monopolierecht voor 1941 boven f 400,- per jaar mijns inziens onder deze omstandigheden geen sprake kan zijn. Op grond van de betrekkelijk gunstige bedrijfsresultaten behaald in 1940 acht ik het redelijk, dat voor het eerste halfjaar 1941 een bedrag van f 200,- voor monopolierechten wordt betaald; de directie der N.V. Service kan zich hiermede vereenigen. Het document is een ambtelijk advies betreffende de financiële afwikkeling van "monopolierechten" (een soort concessievergoeding) voor een tankstationbedrijf genaamd N.V. Service. De kern van de brief is de dramatische terugval in brandstofverkoop tussen begin 1940 en begin 1941.
Uit de cijfers blijkt dat de verkoop in maart 1941 (tot de 22e) nog maar een fractie was van de verkoop in maart 1940 (5.600 liter tegenover 21.600 liter). Vanwege deze economische achteruitgang adviseert de ambtenaar om de verschuldigde rechten niet te verhogen, maar vast te stellen op ƒ 200,- voor het eerste halfjaar (gebaseerd op een jaartarief van ƒ 400,-). De dieselverkoop was zelfs volledig verboden. Dit document dateert van april 1941, bijna een jaar na de Duitse inval in Nederland. De "buitengewone omstandigheden" waarnaar wordt verwezen, is de Duitse bezetting en de daarmee gepaard gaande schaarste.
Al vrij snel na de inval werd brandstof een schaars goed dat door de bezetter werd gevorderd voor militair gebruik. Voor de civiele sector werd distributie (rantsoenering) ingevoerd. De "verminderde toewijzing" waar de brief over spreekt, duidt op deze distributiemaatregelen. Het verbod op de verkoop van dieselolie voor particulieren was een directe maatregel om deze brandstof te reserveren voor essentieel transport en de Wehrmacht. Dit document illustreert hoe lokale overheden en kleine bedrijven probeerden te overleven onder de druk van de oorlogs economie.