Brief/memorandum (doorslag).
Origineel
Brief/memorandum (doorslag). 3 april 1941. De Directeur (vermoedelijk van een gemeentelijke dienst). Den Heer Stadsingenieur, Voorzitter Kleine Benzinecommissie, Raadhuis, Alhier. [Handgeschreven in inkt bovenaan:] Verzonden 3/4 [Handtekening/Initialen]
[Rechtsboven:] HG.
den Heer Stadsingenieur,
Voorzitter Kleine Benzinecommissie,
Raadhuis,
A l h i e r .
100/3/8 M. 3 April 1941.
Naar aanleiding van Uw brief d.d. 27 Maart jl. (No.S.I.
1959/111 B II) bericht ik U, dat op 1 April 1941 bij mijn dienst
492 liter benzine in voorraad was. Een geblokkeerde voorraad was
niet aanwezig, terwijl geen benzine in bestelling was.
De Directeur,
--- Dit document is een formele rapportage van een afdelingsdirecteur aan de voorzitter van de 'Kleine Benzinecommissie'. In de brief wordt de exacte hoeveelheid beschikbare benzine (492 liter) opgegeven zoals die op 1 april 1941 aanwezig was bij de betreffende dienst. De afzender vermeldt expliciet dat er geen 'geblokkeerde voorraad' (voorraad die voor specifieke doeleinden gereserveerd moet blijven) is en dat er geen nieuwe bestellingen uitstaan. De brief is een reactie op een officieel verzoek van de stadsingenieur van 27 maart 1941.
De toon is zakelijk en administratief, kenmerkend voor de bureaucratische afhandeling van schaarste tijdens de oorlogsjaren.
--- De datum van de brief, april 1941, valt midden in de Duitse bezetting van Nederland (1940-1945). Direct na de inval ontstond er een groot tekort aan strategische grondstoffen, waaronder brandstof. De bezetter vorderde grote hoeveelheden benzine voor de Wehrmacht, waardoor de civiele voorraad zeer beperkt werd.
Om de resterende brandstof te verdelen over vitale diensten (zoals politie, brandweer, medische diensten en essentieel transport), werden er op gemeentelijk niveau commissies ingesteld, zoals de hier genoemde 'Kleine Benzinecommissie'. Deze commissies hielden toezicht op de rantsoenering. Het feit dat een directeur op de liter nauwkeurig moet rapporteren over een relatief kleine voorraad, illustreert de nijpende schaarste en de strikte controle die noodzakelijk was om de samenleving draaiende te houden onder het regime van de distributie.
Samenvatting
Dit document is een formele rapportage van een afdelingsdirecteur aan de voorzitter van de 'Kleine Benzinecommissie'. In de brief wordt de exacte hoeveelheid beschikbare benzine (492 liter) opgegeven zoals die op 1 april 1941 aanwezig was bij de betreffende dienst. De afzender vermeldt expliciet dat er geen 'geblokkeerde voorraad' (voorraad die voor specifieke doeleinden gereserveerd moet blijven) is en dat er geen nieuwe bestellingen uitstaan. De brief is een reactie op een officieel verzoek van de stadsingenieur van 27 maart 1941.
De toon is zakelijk en administratief, kenmerkend voor de bureaucratische afhandeling van schaarste tijdens de oorlogsjaren.
Historische Context
De datum van de brief, april 1941, valt midden in de Duitse bezetting van Nederland (1940-1945). Direct na de inval ontstond er een groot tekort aan strategische grondstoffen, waaronder brandstof. De bezetter vorderde grote hoeveelheden benzine voor de Wehrmacht, waardoor de civiele voorraad zeer beperkt werd.
Om de resterende brandstof te verdelen over vitale diensten (zoals politie, brandweer, medische diensten en essentieel transport), werden er op gemeentelijk niveau commissies ingesteld, zoals de hier genoemde 'Kleine Benzinecommissie'. Deze commissies hielden toezicht op de rantsoenering. Het feit dat een directeur op de liter nauwkeurig moet rapporteren over een relatief kleine voorraad, illustreert de nijpende schaarste en de strikte controle die noodzakelijk was om de samenleving draaiende te houden onder het regime van de distributie.