Ambtelijke correspondentie / briefrapportage.
Origineel
Ambtelijke correspondentie / briefrapportage. April 1941 (gebaseerd op stempels en verwijzingen). [Linkerbovenhoek, kader]
BIJBLAD VAN:
M. No. 100/3/7 1941
DOORGEZONDEN: 2/4 - '41
[Rode inkt, linksboven]
100/3/9
10/4/41 [paraf]
[Hoofdtekst]
Th. Brouwer [handtekening/naam bovenaan]
Naar aanleiding van uw
brief dd. 1 dezer No. C/LAD/2246/41
heb ik de eer U te berichten, dat door
mijn dienst in de maand Juli 1940
een aanvullende toewijzing voor benzine
is verstrekt aan den expediteur J. Prins,
alhier en wel 350 l. Verder is aan
de door U genoemde expediteurs ^in de maand Juli '40^ een toewijzing
verstrekt van: W. J. Prinsen 540 l benzine en
J. Prins 720 l benzine, doch deze hoeveelheden
hebben zij, toen zij hun toewijzing van de
Rijksverkeersinspectie te Haarlem ontvingen,
aan mijn dienst teruggeleverd.
~~Verder heeft door mijn dienst aan~~
beide bovengenoemde expediteurs geen toewijzing
van benzine plaatsgevonden, dus ook niet in de maanden
September, October en November 1940.
[Kantlijn links]
Th. Brouwer
zegt, dat aan
Prins in
Januari '41
tijdens vorst-
periode nog
benzine is verstrekt,
doch behoeft niet te
worden opgenomen.
[Linkeronderhoek, drukwerkgegevens]
Alg. Zaken Model No. 14
10.000-10-1937-1016 Dit document betreft een administratieve verantwoording van brandstofdistributie tijdens de Duitse bezetting. De kern van de rapportage is de controle op benzine-allocaties voor transportbedrijven (expediteurs) in een tijd van grote schaarste.
Belangrijke punten uit de tekst:
* Dubbele toewijzing voorkomen: De expediteurs W.J. Prinsen en J. Prins hebben eerder toegewezen hoeveelheden (540 en 720 liter) teruggegeven aan de lokale dienst omdat zij via een andere instantie (Rijksverkeersinspectie Haarlem) al werden voorzien. Dit wijst op een systeem van strikte controle en terugvordering.
* Specifieke toewijzing: J. Prins ontving in juli 1940 wel een aanvullende 350 liter.
* Uitsluiting periodes: De schrijver bevestigt expliciet dat er in het najaar van 1940 geen brandstof is verstrekt.
* Informele toevoeging: De aantekening in de kantlijn is cruciaal; het meldt een verstrekking in januari 1941 vanwege de "vorstperiode". Omdat het scheepvaartverkeer door ijsgang dan vaak stilviel, werd het wegtransport belangrijker, wat de extra benzine verklaart. De opmerking dat dit "niet behoeft te worden opgenomen" suggereert dat dit buiten de reguliere rapportage viel of een uitzonderingsgeval betrof. Het document stamt uit de vroege bezettingsjaren (1941) waarin de distributie van grondstoffen zoals benzine volledig onder staatscontrole stond. De Rijksverkeersinspectie speelde hierbij een centrale rol. De brief is geschreven op papier van de afdeling "Algemeene Zaken" (Model No. 14), wat duidt op een gemeentelijke of provinciale overheidsinstelling die de lokale uitvoering van de distributiewetten verzorgde. De genoemde vorstperiode van januari 1941 staat historisch bekend als zeer streng, wat de noodzaak voor extra wegtransport onderstreept.