Dienstbrief / Circulaire
Origineel
Dienstbrief / Circulaire 30 mei 1941 [Linksboven, gestempeld/getypt:]
Nº 100/3/13 M. 1941 31/5
Dienst
der
Publieke Werken
Amsterdam
Raadhuis, Kamer 198
Bureau Stadsingenieur
[Rechtsboven, getypt:]
S.I. 4137/111 B II
30 Mei 1941
[Rechtsboven, handgeschreven in potlood/pen:]
m. Hr. Junkman
reeds telef. aan U
doorgegeven
[onleesbare paraaf]
[Midden, geadresseerde:]
Aan Heeren Hoofden van
Diensten en Bedrijven.
[Inhoud:]
Hiermede verzoek ik U, mij de onderstaande gegevens te
willen verstrekken:
1. de totale hoeveelheid benzine, welke bij Uw Dienst/Bedrijf
aanwezig was op 1 Juni 1941 des morgens voor den aanvang
van den dienst (hoeveelheid in tanks van auto’s, motor-
fietsen, vaartuigen e.d. niet medegerekend);
2. de hoeveelheid benzine, welke op dat tijdstip was geblok-
keerd, hetzij door den Regeeringscommissaris voor Amster-
dam, of door het Gemeentelijk Materialenbureau.
Opgave van eventueel van Rijkswege verzegelde hoeveelheid
benzine is niet noodig.
Uw opgave zie ik gaarne uiterlijk Donderdag, 5 Juni a.s.,
tegemoet.
P
[Ondertekening:]
De Stadsingenieur,
Voorzitter Kleine Benzinecommissie,
[Handtekening: W. Keemsterck(?)] * Administratieve controle: Het document illustreert de strikte bureaucratische controle op schaarse middelen tijdens de bezetting. Er wordt een zeer specifiek peilmoment gevraagd (1 juni 1941, vóór aanvang van de dienst).
* Uitsluitingen: Opvallend is dat benzine die reeds in voertuigen zit ("in tanks") of die reeds door het Rijk is verzegeld, niet gerapporteerd hoeft te worden. Dit duidt op een inventarisatie van de direct beschikbare, vrije reservevoorraden van de gemeente.
* Handgeschreven kanttekening: De notitie rechtsboven suggereert dat de informatie voor deze specifieke afdeling al telefonisch was doorgegeven aan een zekere heer Junkman, wat wijst op een informele afhandeling naast de officiële schriftelijke stroom. Dit document stamt uit mei 1941, ruim een jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. Brandstof was op dat moment een kritiek goed dat onder streng toezicht stond van zowel de bezetter als de Nederlandse crisisorganen.
De genoemde instanties zoals het Gemeentelijk Materialenbureau en de Kleine Benzinecommissie waren belast met de distributie en rantsoenering binnen de gemeente Amsterdam. De term "Regeeringscommissaris voor Amsterdam" verwijst naar de regeringsstructuur onder toezicht van de Rijkscommissaris (Seyss-Inquart), waarbij de autonomie van de stad steeds verder werd ingeperkt ten behoeve van de Duitse oorlogseconomie. Dergelijke inventarisaties waren vaak de voorbode van verdere vorderingen of strengere inkrimping van de quota.