Brief/Ambtelijk schrijven.
Origineel
Brief/Ambtelijk schrijven. 29 november 1941. De Burgemeester van Amsterdam (E.J. Voûte) en de Gemeentesecretaris (J.F. Franken). Het Hoofd van het Rijksbureau voor Oude Materialen en Afvalstoffen te 's-Gravenhage. [Linksboven, stempel/geschreven:]
№ 101 / 1 / 4 M. 1941 2/12
[Rechtsboven, handgeschreven:]
Markthu... [onleesbaar]
[Midden boven, handgeschreven in blauw potlood:]
7
[Links:]
L.M.
709 -1940-
[Rechts:]
29 November 1941.
[Onleesbare parafen in rood en blauw]
Van de zijde van den Dienst voor Sociale Zaken zijn mij gegevens verstrekt die er op wijzen, dat de venters en opkoopers van lompen etc. langs de straat, er financieel ongunstig voorstaan. De gemiddelde verdienste van deze categorie handeldrijvenden wordt n.l. geschat op ± ƒ 12.50 per week, hetgeen uiteraard zeer gering is te noemen.
Door steekproeven is vastgesteld, dat door hen weinig wordt opgehaald. Zoo is bij naweging van de hoeveelheid lompen, die een venter, met verreweg de meeste lompen op zijn kar had liggen, gebleken, dat deze hoeveelheid slechts 8 kg bedroeg. Dit vertegenwoordigt, berekend naar den huidigen prijs, een waarde van ± ƒ 0.80.
Ik voorzie een nog scherper daling van het inkomen van genoemde venters, wanneer per 1 December a.s. de nieuwe prijzen gaan gelden.
Het aantal lompenventers dat per 1 Mei 1941 [doorhaling] 475 bedroeg, is gedaald tot 312 op den dag van heden.
In verband met deze ongunstige toestanden moge ik er bij U op aandringen om, in het belang van de nog overgebleven lompenventers, voorloopig het verstrekken van nieuwe Rijksvergunningen stop te zetten.
vM
De Burgemeester van Amsterdam,
(get.) Voûte
de Gemeentesecretaris,
(get.) J. F. FRANKEN
het Hoofd van het Rijksbureau voor Oude Materialen en Afvalstoffen,
's-GRAVENHAGE
Paleisstr.7. Dit document is een officiële correspondentie vanuit het Amsterdamse stadsbestuur aan een nationaal overheidsorgaan (het Rijksbureau voor Oude Materialen en Afvalstoffen) tijdens de Tweede Wereldoorlog. De kern van de brief is een noodkreet over de armoedige situatie van de zogenaamde 'lompenventers' (opkopers van oude textiel en afvalmaterialen).
De burgemeester voert de volgende argumenten aan:
1. Lage inkomsten: De venters verdienen gemiddeld slechts 12,50 gulden per week, wat zelfs voor die tijd als zeer weinig werd beschouwd.
2. Slechte vangst: Een steekproef toonde aan dat zelfs een "succesvolle" kar slechts 8 kilo aan lompen bevatte, met een minieme marktwaarde van 0,80 gulden.
3. Prijsdaling: De komende nieuwe prijsstellingen per 1 december 1941 zouden de inkomsten nog verder onder druk zetten.
4. Daling in aantal: Het aantal actieve venters was in een half jaar tijd al met ruim 34% afgenomen (van 475 naar 312).
Het verzoek is om een tijdelijke stop op nieuwe vergunningen, om de huidige groep venters te beschermen tegen verdere concurrentie en zo een basisbestaan te gunnen. De brief dateert uit november 1941, ruim anderhalf jaar na de Duitse inval in Nederland. De Nederlandse economie was in deze periode volledig ondergeschikt gemaakt aan de Duitse oorlogsbehoefte. Grondstoffen waren schaars, waardoor recycling (het ophalen van oude materialen/lompen) van groot strategisch belang was. Het Rijksbureau voor Oude Materialen en Afvalstoffen was een van de vele bureaucratische instanties die de distributie en prijzen van schaarse goederen controleerden.
De burgemeester die ondertekent is Edward Voûte, die door de Duitse bezetter was aangesteld na het ontslaan van de gekozen burgemeester De Vlugt. Hoewel Voûte collaboreerde met de bezetter, toont deze brief een poging om de lokale sociale problemen in Amsterdam (de armoede onder de straatverkopers) te beheersen. De 'lompenboer' was traditioneel een beroep aan de onderkant van de samenleving; de cijfers in deze brief illustreren de bittere armoede waarin zij tijdens de oorlogsjaren verkeerden. De "vM" linksonder is waarschijnlijk de paraaf van de ambtenaar die het concept heeft opgesteld.