Officiële administratieve brief (doorslag/kopie).
Origineel
Officiële administratieve brief (doorslag/kopie). De Directeur (vermoedelijk van de Dienst van het Marktwezen). [Rechtsboven, handgeschreven:] M. de Leer
[Rechtsboven, getypt:] vP/G.
[Midden boven, handgeschreven over stempel:] Verzonden 13/2
[Linksboven, getypt/gestempeld:] 25/15/6 M
[Rechtsonder Kenmerk:] 11 Februari 1939.
den Heer H.W. Philipsen,
Govert Flinckstraat 163 I v,
Amsterdam-Zuid.
Wyk 17.
Naar aanleiding van Uw briefkaart d.d. 3 dezer ver-
leen ik U hierby alsnog uiterlyk tot en met 25 Februari a.s.
uitstel van Uw verplichting tot het bezetten van Uw plaats
op de markt Albert Cuypstraat en van het betalen van het
voor deze plaats verschuldigde marktgeld.
De Directeur, Deze brief is een formeel antwoord op een verzoek (per briefkaart verzonden op 3 februari) van een marktkoopman, de heer H.W. Philipsen. De directeur van de betreffende gemeentelijke dienst verleent hem uitstel tot en met 25 februari 1939 voor twee zaken:
1. De plicht om zijn standplaats op de Albert Cuypmarkt fysiek te bezetten.
2. De plicht om het verschuldigde marktgeld te betalen.
De brief bevat diverse administratieve kenmerken, zoals een dossiernummer (25/15/6 M) en de initialen van de opsteller en typist (vP/G). De handgeschreven aantekening "Verzonden 13/2" geeft aan dat de brief twee dagen na de datering daadwerkelijk de deur uit is gegaan. Het adres van de ontvanger, Govert Flinckstraat 163, ligt parallel aan de Albert Cuypstraat, wat suggereert dat de koopman zeer dicht bij zijn werkplek woonde. De toevoeging "I v" bij het huisnummer staat voor "1-hoog voorzijde". Het document biedt een inkijkje in het marktbeheer in Amsterdam vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. De Albert Cuypmarkt was toen al een centrale en drukke markt in de stad. De regels voor marktkooplui waren streng: wie een vaste plek had, was verplicht deze te bezetten en tijdig de leges (marktgeld) te betalen. Het feit dat Philipsen om uitstel vraagt en dit ook krijgt, wijst op een formele maar menselijke afhandeling van persoonlijke of financiële omstandigheden van marktkooplui door de gemeente. In de crisisjaren dertig was het niet ongebruikelijk dat kooplieden moeite hadden om aan hun financiële verplichtingen te voldoen.