Officieel reglementair document (uittreksel uit een groter werk, waarschijnlijk een gemeenteblad of arbeidsreglement).
Origineel
Officieel reglementair document (uittreksel uit een groter werk, waarschijnlijk een gemeenteblad of arbeidsreglement). Artikel 89 W.R. 103 Regeling No. 30. Werkl.
REGELING VAN VRIJ TRAMVERVOER EN VERGOEDING VOOR HET GEBRUIK VAN EEN EIGEN RIJWIEL TEN BEHOEVE VAN DEN DIENST.
I Aan werklieden, die een wisselende arbeidsplaats hebben, zal, voor het gaan van hun woning naar de arbeidsplaats en voor het terugkeeren van de arbeidsplaats naar hun woning, een tramkaartje worden verstrekt, indien de arbeidsplaats, hemelsbreed gemeten, ten minste 3000 meter van hun woning verwijderd ligt.
II Aan de werklieden, die krachtens het bepaalde onder I aanspraak hebben op vrij tramvervoer, doch gebruik maken van een eigen rijwiel, wordt een vergoeding toegekend van f 0,10 per dag, met dien verstande, dat deze vergoeding in totaal niet meer zal bedragen dan respectievelijk f 0,50 per week, f 2.— per maand en f 24.— per jaar.
III Aan werklieden, die ten behoeve van den dienst gebruik maken van een eigen rijwiel, kunnen de volgende maximum-vergoedingen worden gegeven:
f 24.— per jaar;
f 2.— per maand;
f 0,50 per week;
f 0,10 per dag.
IV De vergoeding, bedoeld onder II, staat geheel op zichzelve en blijft mitsdien bij het toekennen van een vergoeding, bedoeld onder III, buiten beschouwing.
V Het bepaalde onder II geldt niet voor de werklieden, werkzaam bij de Gemeentetram.
VI Het hoofd van den diensttak kan, na gepleegd overleg met den Gemeentelijken Inspecteur, in gevallen, dat van het rijwiel een meer dan normaal gebruik wordt gemaakt (b.v. ten behoeve van het vervoer van materialen) en in gevallen, dat er geen aanleiding bestaat de onder III genoemde maximum-vergoeding toe te kennen, een hoogere, respectievelijk lagere vergoeding dan onder III genoemd toekennen. Dit document bevat de officiële regels voor de reiskostenvergoeding van gemeentewerklieden, vermoedelijk in een grote Nederlandse stad (gezien de vermelding van de "Gemeentetram").
De kernpunten zijn:
* Woon-werkverkeer (Lid I & II): Werknemers met een wisselende werkplek die meer dan 3 km van huis werken, krijgen een gratis tramkaartje. Kiezen ze voor de fiets, dan krijgen ze een kleine dagvergoeding (f 0,10), met vaste maxima per week, maand en jaar.
* Dienstreizen (Lid III): Als de fiets wordt gebruikt tijdens de uitoefening van de functie (ten behoeve van de dienst), gelden vergelijkbare maximumvergoedingen als voor het woon-werkverkeer.
* Cumulatie (Lid IV): De vergoeding voor woon-werkverkeer (Lid II) staat los van de vergoeding voor dienstreizen (Lid III). Een werknemer kan dus voor beide in aanmerking komen.
* Uitzondering (Lid V): Personeel van de Gemeentetram zelf is uitgesloten van de fietsvergoeding voor woon-werkverkeer (waarschijnlijk omdat zij al kosteloos gebruik kunnen maken van de eigen trams).
* Discretionaire bevoegdheid (Lid VI): Het hoofd van de dienst kan in overleg afwijken van de standaardbedragen, bijvoorbeeld bij intensief gebruik (vervoer van zware materialen op de fiets). Dit document stamt waarschijnlijk uit de eerste helft van de 20e eeuw (ca. 1920-1940), gebaseerd op de spelling, de genoemde bedragen in guldens en de terminologie. In deze periode was de fiets het primaire vervoermiddel voor de arbeidersklasse, terwijl de tram de belangrijkste vorm van openbaar vervoer in steden was.
Dergelijke reglementen zijn illustratief voor de groeiende bureaucratisering en de formalisering van arbeidsvoorwaarden bij de overheid. Het toont een vroege vorm van mobiliteitsbeleid: het stimuleren van efficiënt vervoer naar wisselende locaties (zoals bij wegwerkers of onderhoudsploegen) en de erkenning van de fiets als een zakelijk hulpmiddel. De afstandsnorm van 3000 meter "hemelsbreed" is een vroege voorloper van de huidige reiskostenstaffels. De specifieke bedragen lijken naar moderne maatstaven erg laag, maar waren in die tijd in verhouding tot het dagloon van een werkman substantieel genoeg om vast te leggen in officiële regelgeving.