Handgeschreven brief met ambtelijke kanttekening.
Origineel
Handgeschreven brief met ambtelijke kanttekening. 17 februari 1939. A.J. Meijdes, wonende aan de Albert Cuypstraat 110 huis, Amsterdam. [Stempel linksboven:]
Nº 25 / 31 / II. 1939 18/2
[Rechtsboven:]
Amsterdam 17 Febr 1939
Marktwezen
Amsterdam
M.!
Gelieve mij in te schrijven
voor een standplaats markt Alb Cuypstr
of ingesloten kaart te vernieuwen, want
zooals ik hier van den Heer Moerkerken hoorde
was deze kaart verloopen.
Zou gaarne maandag 27 Febr plaats
willen innemen.
Uw dw [dienstwillige] Hoogachtend
A.J. Meijdes
Alb Cuypstr 110 hs
[Kanttekening linksonder in ander handschrift:]
Hij moet zelf
komen voor inschrijving
op voll. [volledige] lijst, als hij daarna
is geschrapt.
ap [of arp] In deze brief verzoekt de heer A.J. Meijdes de Amsterdamse Dienst van het Marktwezen om hem in te schrijven voor een standplaats op de Albert Cuypmarkt. Hij geeft aan dat zijn huidige marktkaart blijkbaar is verlopen, iets wat hij vernomen heeft van een zekere "Heer Moerkerken" (vermoedelijk een marktmeester of ambtenaar ter plaatse). Meijdes hoopt op maandag 27 februari 1939 weer op de markt te kunnen staan.
De ambtelijke notitie linksonder fungeert als een interne instructie of een verslag van de regels: de aanvrager moet persoonlijk verschijnen om zich in te schrijven op de "volledige lijst", zeker indien hij eerder uit het register geschrapt was.
Het document is representatief voor de formele correspondentie tussen burgers en de gemeente in het interbellum, gekenmerkt door een beleefde toon ("M.!" als aanhef voor Mijne Heren, en "Uw dw" als afsluiting). De Albert Cuypmarkt was in 1939, net als nu, een van de belangrijkste economische verkeersaders van de Amsterdamse Pijp. Het beheer van dergelijke markten was streng gereguleerd door de gemeente via de Dienst van het Marktwezen. Een "marktkaart" was essentieel voor marktkooplieden; zonder een geldige kaart of inschrijving op de officiële lijsten had men geen recht op een standplaats.
De datum van het document, februari 1939, plaatst het verzoek in de laatste rustige maanden voor de Duitse inval in Nederland. Voor kleine zelfstandigen zoals marktkooplieden was de bureaucratische gang van zaken rondom vergunningen cruciaal voor hun dagelijks brood. De noodzaak om "zelf te komen" voor inschrijving wijst op de strikte controle die de gemeente Amsterdam destijds uitoefende op de marktbezetting.