Officieel afschrift van een ambtelijk schrijven/adviesbrief.
Origineel
Officieel afschrift van een ambtelijk schrijven/adviesbrief. 6 juli 1939 (geregistreerd op 7 juli 1939). No. 18/10/4 M.1939 17/7.
No. 233 L.M.1939 7/7. AFSCHRIFT. –
H O O F D B U R E A U V A N P O L I T I E T E A M S T E R D A M .
Dict.Ga/Gr. AMSTERDAM-C., 6 Juli 1939.
Tr.S.No.6516/1939
Dossier V.6.
Groep C.
Onder terugzending van het my by Uwe kantbeschikking no. 781 A.Z. van 16 Mei j.l. in handen gestelde schryven van den Wethouder voor de Levensmiddelen, Wasch- en Schoonmaak, bad- en zweminrichtingen, dd. 15 Mei j.l. Afd. L.M. No. 233 – 1939, betreffende het daarby gevoegde adres van het bestuur van den Algemeenen Venters-, Markt- en standplaatshoudersbond in Nederland, Afdeeling Amsterdam, secretaris B. Worms, Lepelstraat 8, houdende het verzoek, de straten, waarvoor een ventverbod geldt, vry te geven voor lompenventers, heb ik de eer, UedelAchtbare te berichten, dat ik my, na ampele overweging, behoudens het hierna vermelde, op de in het schryven van voornoemden Wethouder ontwikkelde gronden, met de strekking van het verzoek kan vereenigen.
In aansluiting hierop moge ik nog naar voren brengen, dat het karakter van het lompen-venten met zich mede schynt te brengen, dat de kooplieden op weg naar de lompen-markt reeds diverse goederen door ruiling of op andere wyze aan elkander of aan niet-ambulante opkoopers trachten over te doen, en dat zy, in verband hiermede dan ook verschillende "pleisterplaatsen" op den openbaren weg schynen te hebben, terwyl zy bovendien in de omgeving van de lompenmarkt wel reeds door gegadigden, die blykbaar een goede keus uit de medegebrachte goederen willen doen, worden opgevangen; aangenomen mag worden, dat ook de hierby verrichte handelingen voor een goed deel vallen onder het begrip "opkoopen" in den zin der Ventverordening.
Hiermede rekening houdende en mede met het oog op het steeds toenemende verkeer, lykt het my aanbeveling te verdienen, dat de overheid de mogelykheid open houdt, het opkoopen van voorwerpen of stoffen, waar noodig, naast het gewone venten te blyven verbieden.
Gelet op vorenstaande, lykt het doelmatig – zonder dat bovendien aan het in artikel 1 der Ventverordening vervatte principe behoeft te worden getornd – artikel 3 dezer verordening zoodanig aan te vullen, dat Burgemeester en Wethouders de bevoegdheid wordt gegeven, het ventverbod voor daarvoor in aanmerking komende openbare wegen niet van toepassing te doen zyn, op het opkoopen van voorwerpen of stoffen van welken aard ook. In verband met de uitbreiding van het begrip "venten" in artikel 1 zou een zoodanige beperking eventueel speciaal in het ventverbod tot uitdrukking dienen te komen.
Het bestaande ventverbod zou dan door een ~~meu~~ nieuw verbod kunnen worden vervangen. * Kern van de zaak: Het document is een beleidsadvies van de Amsterdamse politie aan (vermoedelijk) de Burgemeester. Het gaat over een verzoek van de bond voor marktkooplieden en venters om het ventverbod in bepaalde straten op te heffen voor 'lompenventers' (handelaren in oude kleding en materialen).
* Standpunt Politie: De politie staat in principe welwillend tegenover het verzoek, mits er juridisch onderscheid wordt gemaakt tussen 'venten' (verkopen) en 'opkoopen'.
* Problematiek: De politie signaleert dat lompenventers op weg naar de markt al informeel handel drijven op vaste "pleisterplaatsen" op de openbare weg. Dit zorgt voor verkeershinder en valt strikt genomen onder de Ventverordening.
* Voorgestelde oplossing: In plaats van het ventverbod volledig op te heffen, stelt de politie voor om de Ventverordening aan te passen. B&W zouden de bevoegdheid moeten krijgen om voor specifieke straten enkel het verbod op "opkoopen" op te heffen, terwijl het algemene ventverbod voor de verkoop van goederen van kracht blijft om het verkeer te reguleren. Dit document stamt uit juli 1939, de laatste maanden voor de uitbraak van de Tweede Wereldoorlog. In deze periode was ambulante handel, waaronder de handel in lompen en oude metalen, een essentieel onderdeel van de Amsterdamse stadseconomie, zeker in wijken rondom de Jodenbreestraat en de Waterloopleinmarkt (waar de genoemde Lepelstraat vlakbij ligt).
De brief illustreert de spanning tussen de informele economie van de straathandel en de behoefte van het stadsbestuur aan orde en verkeersdoorstroming in een moderniserende stad. Het toont tevens de bureaucratische nauwkeurigheid waarmee gezocht werd naar juridische nuances in lokale verordeningen om tegemoet te komen aan de behoeften van specifieke beroepsgroepen zonder de grip op de openbare orde te verliezen.