Archiefdocument
Origineel
10 februari (jaartal niet expliciet vermeld, vermoedelijk rond 1918-1920 gezien de referentie en de spelling). Onbekend (waarschijnlijk een ambtelijke commissie of secretaris). 1 10 Februari 8.
18/18/1 den Heer Wethouder voor de
Amsterdam. Levensmiddelen
ningen te verleenen, die zy kunnen gebruiken door middel van,
eveneens van Gemeentewege verstrekt wordende, certificaten voor
personen, die het papier in dienst der vereeniging ophalen.
Uiteraard moet deze aangelegenheid later nader worden uitge-
werkt; in principe bestaat hiertegen evenwel noch by de Com-
missie van Advies noch by my eenig bezwaar. De Commissie wyst
er trouwens op, dat niet ondenkbaar is, dat "bona fide" kran-
ten-ophalers, die sedert jaren hierdoor hun brood verdienen,
door een verbod zooals wordt voorgesteld noodeloos zouden wor-
den getroffen. Het kan daarom wenschelyk zyn, om aan sommige
personen eventueel een vergunning te verleenen, mits deze ver-
gunningen uitdrukkelyk beperkt blyven tot het ophalen van oud
papier; zy behooren niet te worden overgeschreven voor andere
artikelen, (zooals met de gewone opkoopersvergunningen pleegt
te geschieden), omdat het niet gewenscht is het venterscorps
met de hier bedoelde kranten-ophalers uit te breiden.
De vraag of en in hoeverre er "bona fide" krantenop-
halers bestaan is, naar aanleiding van de nota van den heer
Presser, ampel besproken. Uiteraard kan dezerzyds niet worden
bevestigd, of de misstanden, die in deze nota worden beschreven
inderdaad volkomen juist zyn weergegeven. Hieromtrent zou het
advies kunnen worden ingewonnen van den Hoofdcommissaris van
Politie en van den Directeur voor Maatschappelyken Steun; ook
dezerzyds zou te dien aanzien nog een speciaal onderzoek kunnen
worden ingesteld.
In de Commissie is voorts nog overwogen, of de voor-
gestelde regeling ten gevolge zou hebben, dat ook de schillen-
ophalers hun bedryf niet meer zonder vergunning zouden mogen
uitoefenen. Hoewel de Commissie er op zich zelf niet tegen zou
zyn, dat ook het bedoelde bedryf aan een vergunningsstelsel
gebonden zou worden, onderschreef zy myn meening, dat Burge-
meester en Wethouders waarschynlyk bezwaar zullen maken om den
Gemeenteraad een regeling voor te stellen, waarby ook de schil-
lenophalers worden betrokken, omdat een verzoek van dezen om
afsluiting van hun bedryf eerst onlangs, overeenkomstig het
afwyzende prae-advies van Burgemeester en Wethouders, door den Dit document is een ambtelijk advies betreffende de regulering van informele beroepen in de Amsterdamse straten, specifiek de ophalers van oud papier ("kranten-ophalers") en schillen ("schillenophalers").
De kernpunten zijn:
1. Vergunningsstelsel: Er wordt voorgesteld om "bona fide" krantenophalers — zij die al jarenlang op deze wijze hun brood verdienen — te ontzien door hen specifieke vergunningen te verlenen. Hiermee wil men voorkomen dat zij het slachtoffer worden van een algemeen verbod.
2. Beperkingen: Deze vergunningen moeten strikt beperkt blijven tot oud papier om een ongewenste uitbreiding van het algemene "venterscorps" tegen te gaan.
3. Onderzoek naar misstanden: Naar aanleiding van een nota van een zekere heer Presser over misstanden in deze sector, wordt geadviseerd de Hoofdcommissaris van Politie en de Directeur voor Maatschappelijk Steun te raadplegen.
4. Schillenophalers: De commissie twijfelt of ook schillenophalers onder het vergunningsstelsel moeten vallen. Hoewel de commissie voorstander is, wordt verwacht dat het College van B&W bezwaar zal maken omdat een recent verzoek van de schillenophalers zelf nog is afgewezen. Het document dateert uit een periode (vermoedelijk de vroege 20e eeuw, mogelijk rond de Eerste Wereldoorlog) waarin de gemeente Amsterdam probeerde meer grip te krijgen op de informele economie en de openbare orde. In die tijd vormden ophalers van afvalstoffen zoals oud papier, metalen en schillen (voor veevoer) een aanzienlijke groep onder de stedelijke armen.
De functie van "Wethouder voor de Levensmiddelen" was met name cruciaal tijdens de oorlogsjaren (1914-1918) vanwege de schaarste en distributie. De genoemde heer Presser zou Jacob Presser kunnen zijn, die destijds betrokken was bij sociale kwesties in Amsterdam. Het document illustreert de spanning tussen de wens van de overheid om "misstanden" aan te pakken en de noodzaak om arme burgers hun (beperkte) bron van inkomsten niet te ontnemen.