Getypte brief met handgeschreven kanttekeningen.
Origineel
Getypte brief met handgeschreven kanttekeningen. 30 juni 1942. De Directeur (vermoedelijk van de Dienst van het Marktwezen, Amsterdam). [Linksboven, handgeschreven:]
20/2/517
[daaronder een doorgestreept nummer]
[Midden boven, handgeschreven:]
Verzonden 30/6
[Rechtsboven, handgeschreven:]
Inspecteurs
[Rechtsboven, getypt:]
VD/HB.
30 Juni 1942.
[Linksboven, getypt:]
plaatsen op Joodsche
kleinhandelsmarkten.
[Rechts midden, getypt:]
den Heer A. Gombault,
Wirtschaftsreferent bij het
Bureau van den Beauftragte voor
de stad Amsterdam.
Museumplein 19,
Amsterdam-Zuid.
Wijk 24.
[Hoofdtekst:]
Naar aanleiding van Uw brief d.d. 27 Juni j.l. heb ik de eer U te berichten, dat vaste plaatsen op de markten plaatsen zijn, waarvan het marktgeld per week moet worden betaald. De marktkooplieden, die een vaste plaats hebben, moeten deze plaats volgens Reglement tenminste 3 dagen per week bezetten. De betrokken koopman heeft dus recht om steeds op dezelfde plaats te gaan staan. Daar de markten dus niet steeds alle dagen ten volle bezet worden( onder meer door gebrek aan handelswaar ), bestaat er op alle markten een categorie losse kooplieden, waarvan degenen, die het langst als sollicitant voor een vaste plaats zijn ingeschreven, een voorkeurskaart hebben.
In verband met de tijdsomstandigheden komt het voor, dat geruimen tijd achter elkaar de rechthebbenden hun plaatsen niet kunnen bezetten.
Naar aanleiding van Uw schrijven, zal thans op de joodsche markten worden nagegaan, welke kooplieden hun vaste plaats door gebrek aan artikelen niet kunnen bezetten, waarna deze plaatsen zullen worden ingetrokken; deze plaatsen zullen, voor zoover daaraan behoefte bestaat, aan zoogenaamde losse kooplieden als vaste plaats worden uitgegeven, zoodat op de markten dan alleen vaste kooplieden overblijven.
De Directeur, Deze brief vormt een formeel antwoord van de directeur (waarschijnlijk van de Amsterdamse marktdienst) aan de Duitse Wirtschaftsreferent A. Gombault. De kern van de brief betreft de regulering van marktplaatsen op de speciaal ingestelde Joodse markten.
De directeur legt de vigerende regels uit: een vaste marktkoopman moet zijn plek minimaal drie dagen per week bezetten. Echter, door de "tijdsomstandigheden" (een eufemisme voor de gevolgen van de bezetting en anti-Joodse maatregelen) en een gebrek aan handelswaar, kunnen veel Joodse kooplieden hun plek niet meer innemen. Als reactie hierop kondigt de directeur aan dat deze onbezette plaatsen zullen worden ingetrokken en toegewezen aan 'losse' kooplieden, met als doel om alleen nog 'vaste' kooplieden op de markten over te houden. Dit duidt op een verdere verstrakking van de controle op Joodse economische activiteiten. De brief is geschreven in juni 1942, een cruciale periode in de Holocaust in Nederland. Sinds eind 1941 waren Joden in Amsterdam verplicht om alleen nog op aangewezen 'Joodse markten' (zoals op het Waterlooplein en de Gaaspstraat) te handelen, gescheiden van de niet-Joodse bevolking.
De ontvanger, A. Gombault, werkte voor de Beauftragte für de Stadt Amsterdam (Hans Böhmcker), de Duitse functionaris die direct toezicht hield op het Amsterdamse gemeentebestuur. Het intrekken van marktvergunningen was een bureaucratisch middel om de Joodse bevolking economisch verder te marginaliseren. De "tijdsomstandigheden" waarover gesproken wordt, hebben betrekking op de toenemende restricties, de gedwongen tewerkstelling en de dreigende deportaties (die in juli 1942 op grote schaal zouden beginnen), waardoor veel Joodse ondernemers simpelweg niet meer in staat waren hun bedrijfsvoering voort te zetten.