Archiefdocument
Origineel
4 februari 1942 Een marktkoopman (naam niet vermeld op deze zijde van het blad) De Weledelgeboren Heer Directeur van het Marktwezen, Amsterdam Nº 20 / 3 / 1 M. 1942 b/2
Amsterdam, 4 Februari 1942.
Den Weled. Heer Directeur v/h Marktwezen.
Alhier.
No. 20/43/2 f
Mijnheer,
bij een aanslag der Reinigingsrechten over het 1e half-
jaar 1941, vroeg ik ontheffing daar ik reeds 1 ½ jaar de markt
niet meer betreed.
Als antwoord hierop, ontving ik van den Burgemeester
van Amsterdam het bericht dat ik van deze belasting niet kon
worden ontheven daar ik op de markt Thorplein eet- en drinkwaren
te koop heb aangeboden.
Op 11 November j.l. verzocht ik U om een verklaring dat
ik bedoelde persoon niet was, waarop ik een uitnoodiging van
den Inspecteur v/h Marktwezen ontving en bij mijn bezoek heb
aangetoond en de bewijzen heb overlegd dat ik van 7 Maart 1940
tot 7 Maart 1941 een gevangenisstraf heb ondergaan en vanaf
16 April 1941 in de Stadswerkinrichting verkeerd heb.
Naar aanleiding hiervan kwam aan het licht dat er
een schrijf-fout gemaakt en zou ik binnen eenige dagen na mijn
bezoek hiervan de noodige verklaring ontvangen.
Niet weinig verbaasd was ik op 21 Jan '42 weer een
schrijven te ontvangen waarbij weer werd verklaard dat mij het
gevraagde niet kon worden verstrekt daar ik in het jaar 1941
meermalen op het Amstelveld fleschjes limonade had verkocht.
Hierop telefoneerde ik direct naar den Inspecteur v/h...
[Aantekening in de kantlijn in potlood:]
n.i. Insp.
Kool m.i.v.
in tegenwoordig-
heid van den
opzoeker [?] De schrijver van deze brief protesteert tegen een onterechte belastingaanslag voor 'reinigingsrechten' (marktgelden). De gemeente Amsterdam weigerde de ontheffing omdat zij meenden dat de man in 1941 handel dreef op het Thorbeckeplein. De briefschrijver voert een onomstotelijk alibi aan: hij zat gedurende de genoemde periode eerst een jaar in de gevangenis en verbleef daarna in de Stadswerkinrichting (een instelling voor armenzorg en tewerkstelling).
Hoewel de Inspecteur van het Marktwezen tijdens een persoonlijk bezoek toegaf dat er een administratieve fout was gemaakt, ontving de man twee maanden later opnieuw een afwijzing. Ditmaal werd beweerd dat hij limonade zou hebben verkocht op het Amstelveld. De brief toont de frustratie van een burger die verstrikt is geraakt in een hardnekkige bureaucratische dwaling. Dit document is geschreven in februari 1942, tijdens de Duitse bezetting van Nederland. Ondanks de oorlogstijd bleef het civiele apparaat van de gemeente Amsterdam, waaronder de belastingheffing en het markttoezicht, nagenoeg ongewijzigd functioneren.
De "Stadswerkinrichting" waarnaar verwezen wordt, was een instelling aan de Roetersstraat waar Amsterdammers die niet in hun eigen onderhoud konden voorzien, werden ondergebracht en tewerkgesteld. Dat de schrijver zowel een gevangenisstraf als een verblijf in deze inrichting noemt, suggereert dat hij tot de sociaal zwakste lagen van de bevolking behoorde, een groep die tijdens de oorlogsjaren extra hard getroffen werd door schaarste en strenge regelgeving. De genoemde locaties (Thorbeckeplein en Amstelveld) waren bekende marktplaatsen in het centrum van Amsterdam.