Brief / Verzoekschrift (mogelijk een vervolgpagina, zie "II" bovenaan).
Origineel
Brief / Verzoekschrift (mogelijk een vervolgpagina, zie "II" bovenaan). 10 januari (jaar niet vermeld, op basis van handschrift en adres ca. 1900-1920). C. Kool. II
Aanhoorende hij mij zeggende antwoordde het mij de gevraagde
verklaring dat ik er recht op had, doch hij mij die
toch niet kon geven, daar hij volgens een rapport van een
vaktmeester, die verklaart dat ik het wel kan, te werk moet
gaan.
Mijn beleefd verzoek is thans, dat UEd. mij als onderzoek
toelaat, waarbij ik U dan de bewijzen hoop te mogen tonen,
opdat ik dan mijn recht in deze kan verkrijgen.
Uw geëerd antwoord met belangstelling tegemoet ziende,
verblijf ik,
Hoogachtend,
C. Kool
C. Kool. A’dam 10/1.
Tugelaweg 84 II In dit document beklaagt de heer C. Kool zich over een besluit met betrekking tot zijn arbeidsgeschiktheid. Hij refereert aan een gesprek waarin hem mondeling werd toegezegd dat hij recht had op een bepaalde verklaring, maar dat deze schriftelijk werd geweigerd. De reden voor deze weigering is een rapport van een 'vaktmeester' (opzichter of deskundige), die stelt dat Kool wel in staat is om te werken ("dat ik het wel kan").
Kool verzoekt de geadresseerde (aangeduid met "UEd.", Uw Edelachtbare) om hem toe te laten tot een "onderzoek" (mogelijk een herkeuring of hoorzitting). Hij wil hierbij bewijzen overleggen om zijn recht op een uitkering of vrijstelling aan te tonen. De rode strepen en de markering bij het adres onderaan wijzen op administratieve verwerking door de ontvangende instantie. De brief is verstuurd vanuit de Tugelaweg in Amsterdam. Deze straat in de Transvaalbuurt werd rond 1900 gebouwd, wat aansluit bij het taalgebruik en het handschrift. Het document past in de context van de vroege sociale wetgeving in Nederland, zoals de Ongevallenwet van 1901. Arbeiders moesten vaak strijden tegen de beoordelingen van bedrijfsartsen of vaktmeesters om aanspraak te kunnen maken op voorzieningen bij ziekte of invaliditeit. De formele toon ("Mijn beleefd verzoek") was destijds de standaard voor correspondentie met officiële instanties. C. Kool
Samenvatting
In dit document beklaagt de heer C. Kool zich over een besluit met betrekking tot zijn arbeidsgeschiktheid. Hij refereert aan een gesprek waarin hem mondeling werd toegezegd dat hij recht had op een bepaalde verklaring, maar dat deze schriftelijk werd geweigerd. De reden voor deze weigering is een rapport van een 'vaktmeester' (opzichter of deskundige), die stelt dat Kool wel in staat is om te werken ("dat ik het wel kan").
Kool verzoekt de geadresseerde (aangeduid met "UEd.", Uw Edelachtbare) om hem toe te laten tot een "onderzoek" (mogelijk een herkeuring of hoorzitting). Hij wil hierbij bewijzen overleggen om zijn recht op een uitkering of vrijstelling aan te tonen. De rode strepen en de markering bij het adres onderaan wijzen op administratieve verwerking door de ontvangende instantie.
Historische Context
De brief is verstuurd vanuit de Tugelaweg in Amsterdam. Deze straat in de Transvaalbuurt werd rond 1900 gebouwd, wat aansluit bij het taalgebruik en het handschrift. Het document past in de context van de vroege sociale wetgeving in Nederland, zoals de Ongevallenwet van 1901. Arbeiders moesten vaak strijden tegen de beoordelingen van bedrijfsartsen of vaktmeesters om aanspraak te kunnen maken op voorzieningen bij ziekte of invaliditeit. De formele toon ("Mijn beleefd verzoek") was destijds de standaard voor correspondentie met officiële instanties.