Archiefdocument
Origineel
[Rechtsboven, handgeschreven:]
ni. Insp. 62
Marken 17 September 1942.
Aan den WelEd. Heer Directeur van het Marktwezen te Amsterdam.
[Stempel in paarse inkt:]
№ 20/27/1 M. 1942 3/9
Mijn heer.
Ondergeteekende P. Boes. beroep vischventer geb. 8 Augustus 1886. te Marken.
Verzoekt U Ed beleefd om voor eene standplaats op eene der Amsterdamsche markten in aanmerking te mogen komen.
Hierbij een schrijven van de Rijksdienst ter uitvoering der Zuiderzeesteunwet 1926.
Hoogachtend.
P. Boes. Jzn.
Kerkbuurt 10 Marken.
[Handgeschreven ambtelijke kanttekeningen onder de brief:]
Is altijd venter op het platte land geweest.
m.i. kan P. Boes niet voor verdeelrecht in aanmerking komen.
Boes een en ander medegedeeld.
Kan als afgedaan worden beschouwd.
[Schuin rechts van de kanttekeningen:]
oproepen a.s Maandag
datum 20 of 30 sept.
[Onderaan rechts:]
30-9-'42
gezien [handtekening/paraaf]
[Rechtsonder in de hoek:]
20
--- Deze brief uit september 1942 is een formeel verzoek van Pieter Boes Jzn., een visverkoper uit Marken, aan de directeur van het Amsterdamsche Marktwezen. Boes verzoekt om een standplaats op een van de Amsterdamse markten. Hij ondersteunt zijn aanvraag door te verwijzen naar een document van de Rijksdienst voor de uitvoering van de Zuiderzeesteunwet. Dit suggereert dat zijn oorspronkelijke bron van inkomsten (waarschijnlijk visserij) was aangetast door de afsluiting van de Zuiderzee, en dat hij op basis van die wet aanspraak maakt op steun of nieuwe werkgelegenheid.
De ambtelijke aantekeningen onder de brief werpen een minder gunstig licht op de zaak. De ambtenaar merkt op dat Boes altijd een 'venter op het platte land' is geweest en dat hij naar diens mening niet in aanmerking komt voor 'verdeelrecht' (mogelijk een specifieke toewijzing van marktplaatsen of goederen). Uit de laatste regels blijkt dat de aanvrager op gesprek is gekomen ('oproepen a.s Maandag') en dat hem de situatie is uitgelegd ('Boes een en ander medegedeeld'). De zaak wordt op 30 september 1942 als afgedaan beschouwd, waarschijnlijk met een afwijzing van het verzoek voor een vaste standplaats.
--- De Zuiderzeesteunwet
De Zuiderzeesteunwet van 1925 was bedoeld om vissers en aanverwante beroepen te compenseren voor de economische schade die zij leden door de aanleg van de Afsluitdijk en de daaropvolgende inpoldering. Veel vissers uit plaatsen zoals Marken zochten na de afsluiting in 1932 noodgedwongen naar andere inkomstenbronnen, vaak in de handel (het 'venten' van vis).
Bezettingstijd (1942)
De brief is gedateerd in september 1942, midden in de Tweede Wereldoorlog. De economische omstandigheden in Nederland waren in deze periode zwaar door schaarste en distributiemaatregelen. Het verkrijgen van een marktstandplaats in een grote stad als Amsterdam was voor een buitenstaander uit Marken waarschijnlijk extra lastig door strenge regelgeving en de prioriteit voor lokale handelaren. De term 'verdeelrecht' in de kanttekening kan ook wijzen op de ingewikkelde distributie- en vergunningssystemen die tijdens de bezetting van kracht waren om de schaarse goederen (waaronder vis) te beheersen. P. Boes Marktwezen