Officiële brief.
Origineel
Officiële brief. 21 mei 1941. Rijksdienst ter uitvoering van de Zuiderzeesteunwet 1925. SJ/CS.
RIJKSDIENST TER UITVOERING VAN DE
ZUIDERZEESTEUNWET 1925 (Stb. 290)
AMSTERDAM, 21 Mei 1941.
Afd. Art. 6II, No. 1647 D. 4136.
~~ROKIN 149, TEL. 32788, INTERC. R 0415~~
Jacob Obrechtstraat 67; Tel. 93517
Bericht op brief van:
Betreft: ventvergunning.
Den Heer P. Boes,
Kerkbuurt 10,
MARKEN.
Verzoeke bij beantwoording
aan te halen:
Dossier:
No.: en Afd.
Bijlagen:
Hiermede bericht ik U, dat blijkens ontvangen inlichtingen van den Directeur van het Marktwezen te Amsterdam het thans niet mogelijk is aan U eene ventvergunning voor de Gemeente Amsterdam te verleenen. U kunt zich op de Gemeente Secretarie echter laten inschrijven als gegadigde voor eene ventvergunning, doch gezien het groote aantal reeds ingeschrevenen, zult U niet spoedig voor uitreiking eener vergunning in aanmerking komen.
Wel is mij gebleken, dat, indien gij voor eene standplaats op eene der Amsterdamsche markten in aanmerking wenscht te komen, gij deze wel zult kunnen verkrijgen.
DE DIRECTEUR VAN DEN RIJKSDIENST
TER UITVOERING VAN DE ZUIDERZEESTEUNWET,
Voor den Directeur,
[handtekening: Thurbeck] Deze brief is een afwijzing van een aanvraag voor een ventvergunning in Amsterdam. De afzender is de Rijksdienst die de Zuiderzeesteunwet uitvoert. De geadresseerde is P. Boes uit Marken. Uit de tekst blijkt dat er op dat moment (1941) een overschot was aan geregistreerde venters in Amsterdam, waardoor een nieuwe vergunning op korte termijn niet haalbaar was. Wel wordt de suggestie gedaan om een standplaats op een van de Amsterdamse markten te proberen, aangezien daar blijkbaar wel ruimte voor was.
Opvallend is de wijziging in het briefhoofd, waarbij het adres aan het Rokin is doorgehaald en vervangen door de Jacob Obrechtstraat. Dit duidt op een verhuizing van de dienst. De Zuiderzeesteunwet van 1925 werd in het leven geroepen om financiële en praktische bijstand te verlenen aan degenen wier middelen van bestaan ernstig werden geschaad door de afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee. Vooral vissers uit plaatsen als Marken, Volendam en Urk werden zwaar getroffen door het verdwijnen van hun visgronden.
Veel vissers probeerden om te scholen of een ander beroep te vinden in de handel. De Rijksdienst ter uitvoering van de Zuiderzeesteunwet hielp hen hierbij, bijvoorbeeld door te bemiddelen bij vergunningsaanvragen voor ambulante handel (venten) in nabijgelegen steden zoals Amsterdam.
De datum van de brief, 21 mei 1941, valt in de periode van de Duitse bezetting van Nederland. Hoewel de brief een administratief karakter heeft, weerspiegelt het de economische realiteit van die tijd: een grote druk op de arbeidsmarkt en de handel, waarbij overheidsinstanties probeerden de gevolgen van de Zuiderzeewerken voor de lokale bevolking op te vangen binnen een steeds beperkter wordend kader.