Brief (handgeschreven).
Origineel
Brief (handgeschreven). 16 oktober 1942. J. Speelman, Waterlooplein 84 III, Amsterdam. De Weled. Heer Inspecteur der Marktwezen, Amsterdam. [Stempel linksboven:]
Nº 20/29/3 M. 1942 17/10
[Rechtsboven:]
179
[Hoofdtekst in groene inkt:]
Amsterdam 16 October 1942
Aan den Weled Heer Inspecteur
der Marktwezen
Hier
Nog maals vraag ik u Ed
beleefd. om een plaats op de
Joodse Markt te krijgen. daar ik
ruim 40 jaren op het waterlooplein
bent gestaan. en nu ik weer wil
staan met een vrije handel. daar
ik om de tydsomstandigheden
met mijn artikellen niet mocht
staan. misschien weet u een uit-
weg voor mijn
in afwachting
Hoogachtend
J. Speelman
Waterlooplein 84 III
A.dam
[Potloodaantekening links in cirkel:]
is pas
beantwoord?
[Aantekening onderaan in potlood:]
Verzoek kan m.i. niet worden ingewilligd
19-10-42
[Onleesbare handtekening/paraf, mogelijk Peltman] In deze brief verzoekt J. Speelman, een marktkoopman die naar eigen zeggen al ruim veertig jaar op het Waterlooplein staat, om een staanplaats op de "Joodse Markt". Hij refereert aan de "tydsomstandigheden" (de Duitse bezetting en de daarmee gepaard gaande anti-Joodse maatregelen) waardoor hij blijkbaar niet langer met zijn gebruikelijke handelswaar mocht staan. Hij vraagt om een "vrije handel" en verzoekt de inspecteur om een "uitweg" voor zijn situatie.
Het document is een schrijnend voorbeeld van de bureaucratische afhandeling van het leven van Joodse Amsterdammers tijdens de bezetting. Ondanks de respectvolle toon en het feit dat de man al decennia op de markt stond, wordt het verzoek drie dagen later (19-10-42) door een ambtenaar kortaf in potlood afgewezen: "Verzoek kan m.i. niet worden ingewilligd". De datum van de brief, oktober 1942, markeert een dieptepunt in de geschiedenis van Joods Amsterdam. De deportaties naar kamp Westerbork en verder naar de vernietigingskampen in het oosten waren op dat moment in volle gang.
Sinds 1941 waren er door de Duitse bezetter specifieke "Joodsche markten" ingesteld (zoals op het Waterlooplein, het Gaaspstraatje en de Joubertstraat), bedoeld om Joden volledig te isoleren van de niet-Joodse bevolking. Joden mochten alleen nog op deze markten kopen en verkopen, en hun bewegingsvrijheid werd steeds verder ingeperkt.
De schrijver van de brief, J. Speelman, probeert via de officiële weg zijn inkomen te behouden in een tijd waarin de Joodse gemeenschap systematisch werd beroofd van al haar rechten en bestaansmiddelen. De afwijzing van zijn verzoek was in die tijd eerder regel dan uitzondering, daar de bezetter en de meewerkende gemeentelijke instanties het economische leven van Joden volledig onmogelijk maakten. J. Speelman Marktwezen
Samenvatting
In deze brief verzoekt J. Speelman, een marktkoopman die naar eigen zeggen al ruim veertig jaar op het Waterlooplein staat, om een staanplaats op de "Joodse Markt". Hij refereert aan de "tydsomstandigheden" (de Duitse bezetting en de daarmee gepaard gaande anti-Joodse maatregelen) waardoor hij blijkbaar niet langer met zijn gebruikelijke handelswaar mocht staan. Hij vraagt om een "vrije handel" en verzoekt de inspecteur om een "uitweg" voor zijn situatie.
Het document is een schrijnend voorbeeld van de bureaucratische afhandeling van het leven van Joodse Amsterdammers tijdens de bezetting. Ondanks de respectvolle toon en het feit dat de man al decennia op de markt stond, wordt het verzoek drie dagen later (19-10-42) door een ambtenaar kortaf in potlood afgewezen: "Verzoek kan m.i. niet worden ingewilligd".
Historische Context
De datum van de brief, oktober 1942, markeert een dieptepunt in de geschiedenis van Joods Amsterdam. De deportaties naar kamp Westerbork en verder naar de vernietigingskampen in het oosten waren op dat moment in volle gang.
Sinds 1941 waren er door de Duitse bezetter specifieke "Joodsche markten" ingesteld (zoals op het Waterlooplein, het Gaaspstraatje en de Joubertstraat), bedoeld om Joden volledig te isoleren van de niet-Joodse bevolking. Joden mochten alleen nog op deze markten kopen en verkopen, en hun bewegingsvrijheid werd steeds verder ingeperkt.
De schrijver van de brief, J. Speelman, probeert via de officiële weg zijn inkomen te behouden in een tijd waarin de Joodse gemeenschap systematisch werd beroofd van al haar rechten en bestaansmiddelen. De afwijzing van zijn verzoek was in die tijd eerder regel dan uitzondering, daar de bezetter en de meewerkende gemeentelijke instanties het economische leven van Joden volledig onmogelijk maakten.