Archief 745
Inventaris 745-374
Pagina 9
Dossier 10
Jaar 1942
Stadsarchief

Getypte brief / Afschrift (officieel schrijven van de Dienst der Publieke Werken).

21 januari 1942. Van: Dienst der Publieke Werken Amsterdam. Aan: Directeur der Gemeente-belastingen, Heerengracht 196, Amsterdam-C.

Origineel

Getypte brief / Afschrift (officieel schrijven van de Dienst der Publieke Werken). 21 januari 1942. Dienst der Publieke Werken Amsterdam. Directeur der Gemeente-belastingen, Heerengracht 196, Amsterdam-C. No.21/3/1 M.1942 30/1 AFSCHRIFT.
No.155 L.M.1942 [X-teken] Ind.22/1 1942 No.2686/2687 Bel.Pr.
DIENST DER PUBLIEKE
WERKEN AMSTERDAM. Amsterdam, 21 Januari 1942.
No.12544'41/Doss. 36243 Bs.
Onderwerp: Walhuisje en handkar
Nwe. Achtergracht t/o.No.160. Aan den Heer Directeur der
Antw.op Nos.2687/2688 Bel.Pr. Gemeente-belastingen,
d.d.30 December 1941. Heerengracht 196,
Amsterdam-C.

Onder terugzending van de aanvragen van L.van Vliet, Hoogeweg 10, alhier, tot het mogen hebben van een walhuisje en een handkar op de Nieuwe Achtergracht tegenover No.160, bericht ik U het volgende.

Voor zoover mij bekend, is nog nimmer een vergunning tot het plaatsen van een huisje op den openbaren weg verleend ten behoeve van een brandstoffenhandelaar. In het algemeen heb ik er bezwaar tegen, dat ook aan deze categorie zakenlieden de gelegenheid wordt gegeven, hun kantoren naar den openbaren weg over te brengen.

Adressant heeft aan mijn Dienst verklaard, dat hij, in het bijzonder in verband met de aan de distributie der brandstoffen verbonden administratie, dringend behoefte heeft aan een kantoortje ter plaatse, terwijl er in de directe omgeving geen kantoorruimte te huur is. Dezerzijds is hem aan de hand gedaan, een huisje op een schuit te plaatsen, zooals sommige andere aan de brandstoffenmarkten gelegen zaken plegen te doen, doch adressant heeft daarvoor momenteel geen schuit beschikbaar.

Onder deze omstandigheden heb ik, gezien de plaats, waar het huisje wordt gewenscht, geen overwegend bezwaar tegen inwilliging van het verzoek, mits voorloopig slechts vergunning wordt verleend voor het hebben van het huisje gedurende den tijd, dat de levering van brandstoffen onder de distributiebepalingen valt.

Het huisje, hetwelk reeds gemaakt is, is aan mijn Dienst getoond en kan als tijdelijk object wel op den openbaren weg ter plaatse worden toegelaten.

Voor zooveel mijn Dienst betreft kan de vergunning worden verleend onder de volgende voorwaarden:
1e. het huisje moet worden geplaatst in overleg met en ten genoegen van mijn Dienst en ter plaatse, als aangegeven op de dezerzijds bijgevoegde situatieteekening;
2e. voor het opbreken van de wegbedekking moet vooraf vergunning worden aangevraagd bij de afdeeling Bestratingen van mijn Dienst, Raadhuis, kamer 105, tusschen 9.45 en 12 uur v.m.
3e. de kleur, waarin het gebouwtje wordt geschilderd, moet door de afdeeling Gebouwen van mijn dienst zijn goedgekeurd;
4e. het kantoortje moet in goeden staat worden onderhouden, ten genoegen van den Burgemeester;
5e. aan het kantoortje mogen geen reclames, van welken aard ook, worden aangebracht.

Voorts moeten de kosten van het herstellen van schade, toegebracht aan gemeente-eigendommen, als gevolg van het plaatsen, hebben, onderhouden of verwijderen van het huisje, op de eerste daartoe strekkende uitnoodiging van den Burgemeester door den vergunninghouder worden vergoed. Dit document betreft een ambtelijk advies over een uitzonderlijke vergunningsaanvraag in oorlogstijd. De kernpunten zijn:

  1. Beleidsafwijking: De ambtenaar merkt op dat het plaatsen van kantoren op de openbare weg voor brandstoffenhandelaren normaliter nooit wordt toegestaan. Men wil geen precedent scheppen waarbij bedrijfsruimte naar de straat verhuist.
  2. Noodzaak door de oorlog: De aanvrager (L. van Vliet) beroept zich op de administratieve last van de "distributie" (rantsoenering). De schaarste aan brandstoffen vereiste een complexe boekhouding met bonnen, waarvoor hij direct bij zijn opslagplaats (de wal) een kantoor nodig heeft.
  3. Tijdelijkheid: De vergunning wordt alleen geadviseerd voor de duur van de distributiemaatregelen. Dit onderstreept dat het een noodoplossing betreft.
  4. Esthetische en praktische controle: De gemeente stelt strikte eisen aan de kleur, de locatie en het verbod op reclame, om de visuele orde in de publieke ruimte te bewaken. De brief is gedateerd op 21 januari 1942, midden in de Duitse bezetting van Nederland. De context van de Tweede Wereldoorlog is cruciaal voor het begrip van dit document:

  5. Brandstoffenschaarste: Kolen en hout waren strikt gerantsoeneerd. Brandstoffenhandelaren stonden onder grote druk en moesten een uitgebreide administratie bijhouden om de distributiebonnen te verwerken.

  6. Ruimtegebrek: Door de oorlogsomstandigheden en mogelijke vorderingen van gebouwen was kantoorruimte schaars, zeker nabij de grachten waar de aanvoer van goederen per schip plaatsvond.
  7. Bureaucratie onder bezetting: Ondanks de oorlog bleven de gemeentelijke diensten van Amsterdam (zoals Publieke Werken) functioneren volgens de bestaande bureaucratische procedures. De burgemeester waarnaar verwezen wordt, was op dat moment de door de bezetter aangestelde Edward Voûte.
  8. Walhuisjes: Dergelijke kleine houten bouwwerken kwamen vaker voor bij sluizen of overslagpunten, maar de gemeente was terughoudend met het toestaan ervan voor commerciële doeleinden op de stoep of kade.

Samenvatting

Dit document betreft een ambtelijk advies over een uitzonderlijke vergunningsaanvraag in oorlogstijd. De kernpunten zijn:

  1. Beleidsafwijking: De ambtenaar merkt op dat het plaatsen van kantoren op de openbare weg voor brandstoffenhandelaren normaliter nooit wordt toegestaan. Men wil geen precedent scheppen waarbij bedrijfsruimte naar de straat verhuist.
  2. Noodzaak door de oorlog: De aanvrager (L. van Vliet) beroept zich op de administratieve last van de "distributie" (rantsoenering). De schaarste aan brandstoffen vereiste een complexe boekhouding met bonnen, waarvoor hij direct bij zijn opslagplaats (de wal) een kantoor nodig heeft.
  3. Tijdelijkheid: De vergunning wordt alleen geadviseerd voor de duur van de distributiemaatregelen. Dit onderstreept dat het een noodoplossing betreft.
  4. Esthetische en praktische controle: De gemeente stelt strikte eisen aan de kleur, de locatie en het verbod op reclame, om de visuele orde in de publieke ruimte te bewaken.

Historische Context

De brief is gedateerd op 21 januari 1942, midden in de Duitse bezetting van Nederland. De context van de Tweede Wereldoorlog is cruciaal voor het begrip van dit document:

  • Brandstoffenschaarste: Kolen en hout waren strikt gerantsoeneerd. Brandstoffenhandelaren stonden onder grote druk en moesten een uitgebreide administratie bijhouden om de distributiebonnen te verwerken.
  • Ruimtegebrek: Door de oorlogsomstandigheden en mogelijke vorderingen van gebouwen was kantoorruimte schaars, zeker nabij de grachten waar de aanvoer van goederen per schip plaatsvond.
  • Bureaucratie onder bezetting: Ondanks de oorlog bleven de gemeentelijke diensten van Amsterdam (zoals Publieke Werken) functioneren volgens de bestaande bureaucratische procedures. De burgemeester waarnaar verwezen wordt, was op dat moment de door de bezetter aangestelde Edward Voûte.
  • Walhuisjes: Dergelijke kleine houten bouwwerken kwamen vaker voor bij sluizen of overslagpunten, maar de gemeente was terughoudend met het toestaan ervan voor commerciële doeleinden op de stoep of kade.

Gerelateerde Documenten 6