Archief 745
Inventaris 745-374
Pagina 362
Dossier 24
Jaar 1942
Stadsarchief

Handgeschreven brief (derde pagina van een langer schrijven).

Origineel

Handgeschreven brief (derde pagina van een langer schrijven). 3

en zijn nog veele anderen die in de albert
Cuijpstraat met hun vis staan en ze doen het
alle maal maar ik ken hun namen nog niet
meschien later wel. Er zijn enkelen goede ook
onder hen dat is ook waar
Ja Heer Directeur dan heb ik ook ge
hoord van een goede vishandelaar als dat
er op de vischmarkt aan de Prinshekade
en ze doen dat ook op anderen plaatsen personen
zijn de die paling) en de Zoetwatervis op koopen
van tegen prijzen zeg hij van 50 en 60 cent per pond
en die mannen maken dan in de zoetwatervis
karren bergplaatsen enz. pakjes daar van en
brengen die pakjes dan naar de Jooden
Zij maken er pakjes van van 1. pond Zoetwater
vis en verkoopen die voor 1. gulden 1 pond
en ~~dat~~ snoekbaars 2 gulden 1. pond
mijn vrouw heb zelf een Jooden aan gesproken
die het er voor be taalt heeft ze gaan dan
met een zak of koffertje naar de Jooden buurt
dat heb ik zelf gezien ze loopen in de
Kerkstraat) Lepelstraat) N. P. Gracht
N. A. Gracht afijn in heel de Jooden
buurt dat zijn natuurlijke Jooden knechten
en zoo iets is toch strafbaar. Daar kan
u toch een eind aan maken. Mijnheer
de Directeur dan kunnen wij als burgers
ook een goed koope Zoetwatervis eten
Bij voorbaat onze dank Dit document is een aangifte of een klachtenbrief gericht aan een "Heer Directeur", zeer waarschijnlijk de directeur van de Dienst voor het Marktwezen of een vergelijkbare instantie in Amsterdam. De schrijver ageert tegen illegale handel (woekerhandel/zwarte markt) in vis.

Belangrijke observaties:
* Handelwijze: Handelaren kopen vis op voor 50 à 60 cent per pond en verkopen het in de Jodenbuurt door voor het dubbele (1 gulden) of meer (2 gulden voor snoekbaars). De vis wordt verborgen in geheime bergplaatsen in handkarren.
* Locaties: Er worden specifieke Amsterdamse locaties genoemd: Albert Cuypstraat, Prins Hendrikkade (geschreven als Prinshekade), Kerkstraat, Lepelstraat, Nieuwe Prinsengracht (N. P. Gracht) en Nieuwe Achtergracht (N. A. Gracht).
* Motivatie: De schrijver presenteert zich als een verontwaardigde burger die vindt dat door deze praktijken de gewone burger geen goedkope vis meer kan kopen. Het taalgebruik ("Jooden knechten", "strafbaar") duidt op een aangiftebereidheid die in de oorlogsjaren vaak voorkwam bij schaarste. De brief moet geplaatst worden in de context van de Duitse bezetting van Nederland (1940-1945). Tijdens deze periode was er een strikte distributie van voedsel en werden prijzen gereguleerd door de Prijsbeheersing. De Joodse bevolking in Amsterdam werd steeds meer geïsoleerd in de zogenaamde Judenviertel (het gebied rondom de Waterloopleinbuurt en de genoemde grachten).

Omdat Joden beperkt werden in hun bewegingsvrijheid en toegang tot reguliere markten, ontstond er een levendige maar kostbare zwarte handel in levensmiddelen. De briefschrijver klaagt feitelijk over het feit dat handelaren profiteren van de nood in de Joodse buurt, waardoor de prijzen voor de rest van de "burgers" stijgen. De terminologie "Jooden knechten" suggereert dat de tussenpersonen die de vis de buurt in smokkelden, door de schrijver met minachting werden bekeken. Dergelijke brieven aan autoriteiten waren in die tijd niet ongebruikelijk en leidden vaak tot politiecontroles of razzia's op de zwarte handel. A. Gracht P. Gracht Marktwezen

Samenvatting

Dit document is een aangifte of een klachtenbrief gericht aan een "Heer Directeur", zeer waarschijnlijk de directeur van de Dienst voor het Marktwezen of een vergelijkbare instantie in Amsterdam. De schrijver ageert tegen illegale handel (woekerhandel/zwarte markt) in vis.

Belangrijke observaties:
* Handelwijze: Handelaren kopen vis op voor 50 à 60 cent per pond en verkopen het in de Jodenbuurt door voor het dubbele (1 gulden) of meer (2 gulden voor snoekbaars). De vis wordt verborgen in geheime bergplaatsen in handkarren.
* Locaties: Er worden specifieke Amsterdamse locaties genoemd: Albert Cuypstraat, Prins Hendrikkade (geschreven als Prinshekade), Kerkstraat, Lepelstraat, Nieuwe Prinsengracht (N. P. Gracht) en Nieuwe Achtergracht (N. A. Gracht).
* Motivatie: De schrijver presenteert zich als een verontwaardigde burger die vindt dat door deze praktijken de gewone burger geen goedkope vis meer kan kopen. Het taalgebruik ("Jooden knechten", "strafbaar") duidt op een aangiftebereidheid die in de oorlogsjaren vaak voorkwam bij schaarste.

Historische Context

De brief moet geplaatst worden in de context van de Duitse bezetting van Nederland (1940-1945). Tijdens deze periode was er een strikte distributie van voedsel en werden prijzen gereguleerd door de Prijsbeheersing. De Joodse bevolking in Amsterdam werd steeds meer geïsoleerd in de zogenaamde Judenviertel (het gebied rondom de Waterloopleinbuurt en de genoemde grachten).

Omdat Joden beperkt werden in hun bewegingsvrijheid en toegang tot reguliere markten, ontstond er een levendige maar kostbare zwarte handel in levensmiddelen. De briefschrijver klaagt feitelijk over het feit dat handelaren profiteren van de nood in de Joodse buurt, waardoor de prijzen voor de rest van de "burgers" stijgen. De terminologie "Jooden knechten" suggereert dat de tussenpersonen die de vis de buurt in smokkelden, door de schrijver met minachting werden bekeken. Dergelijke brieven aan autoriteiten waren in die tijd niet ongebruikelijk en leidden vaak tot politiecontroles of razzia's op de zwarte handel.

Genoemde Personen 2

Locaties

Albert Cuypmarkt Waterlooplein

Producten

Vis & Zee: Aal Vis & Zee: Paling Vis & Zee: Vis Vis & Zee: Visch Vis & Zee: Zoetwatervis

Thema's

Jodenster/Maatregelen Razzia & Arrestatie

Organisaties

Marktwezen

Gerelateerde Documenten 6