Handgeschreven brief met ambtelijke aantekeningen en stempels.
Origineel
Handgeschreven brief met ambtelijke aantekeningen en stempels. 15 oktober 1942. J.W. Jansen. [Linksboven in de marge, diagonaal:]
Ace
modelbrief
assistentie
HA 2-11-42
[Rechtsboven:]
199 /
[Midden boven, in rood potlood:]
25/52/1
[Hoofdtekst:]
Amsterdam 15 - 10 - 42
[Rechts boven de aanhef, paraaf:] Imp.
Geachte Heer
Met deze kom ik bij U met
een beleefd verzoek
voor bijstand op mijn
vaste staanplaats in de
Albertcuypstraat.
Deze bijstand zou ik graag
op de naam van mijn vrouw
C.A. van Zweden. Geb: 12-2-1914
te Winschoten.
Woonende 1e Jan v/d Heydenstraat
49 II A
Amsterdam
Bij voorbaat dankend
J.W. Jansen
1e Jan v/d Heydenstraat 49 II A
Amsterdam Zuid.
[Onderaan, administratieve notities en stempels:]
Gel. bez. [paraaf] 30-10-42
№ 25/52/1 M. 1942 20/10
Hr. Verkerken,
is Jansen gehuwd? [paraaf]
Mr Advies
Verwittig. Bijstelling is m.i. Jansen
vrouw autorit eenheid is van haar man [paraaf]
[Rechtsonder, diagonaal doorgestreept:]
26-10-42
[paraaf] Het document is een formeel verzoekschrift van J.W. Jansen aan de bevoegde instantie (vermoedelijk de afdeling Marktwezen van de gemeente Amsterdam). Jansen verzoekt om zijn echtgenote, Cornelia Adriana van Zweden, officieel te laten registreren als zijn assistente op zijn vaste staanplaats op de Albert Cuypmarkt. De brief bevat specifieke persoonsgegevens van de vrouw (geboortedatum en -plaats) en het woonadres van het echtpaar in de Amsterdamse Pijp.
De diverse handgeschreven kanttekeningen en stempels tonen de bureaucratische afhandeling van het verzoek tussen 15 oktober en 2 november 1942. Opvallend is de vraag van een ambtenaar: "is Jansen gehuwd?". Dit duidt op een controle van de familierelatie, aangezien het recht op assistentie op een marktplaats in die tijd vaak gebonden was aan strikte regels omtrent gezinsleden. De term "modelbrief" in de kantlijn suggereert dat dit type verzoek een standaardprocedure volgde. De brief dateert uit oktober 1942, tijdens de Duitse bezetting van Nederland in de Tweede Wereldoorlog. In deze periode was de Amsterdamse Albert Cuypmarkt een vitale maar streng gecontroleerde plek voor de voedselvoorziening en handel. De bezetter en het collaborerende gemeentebestuur hielden de marktvergunningen nauwlettend in de gaten, mede vanwege de uitsluiting van Joodse marktkooplieden die op dat moment al was voltooid.
Het verzoek om 'bijstand' was essentieel voor de continuïteit van de nering; als een koopman ziek werd of elders verplichtingen had (zoals de Arbeitseinsatz), kon de geregistreerde helper de verkoop voortzetten. Het document biedt een inkijkje in de dagelijkse overlevingsstrategieën en de ambtelijke controle op het Amsterdamse volksleven onder bezettingstijd.