Handgeschreven brief (verzoekschrift).
Origineel
Handgeschreven brief (verzoekschrift). 26 november 1942. Mej. A. Prins-Abbij (of Abbing), Jan van der Heydenstraat 44 huis, Amsterdam. Plaats no. 33.
Amsterdam 26 November '42
Weled Heer [Stempel: Nº 25/67/1 M. 1942 27/11]
Mijnheer ondergetekende Mej A. Prins Abbij
is zoo vrij U eens te schrijven. Mijn zoon L. L. Prins
1e Jan v. d. Heydenstr 44 h. Heb vier jaar lang op de
Albert Cuypstr gestaan met Groenten en fruit.
Ik heb hem daarbij geholpen. Nu is mij
het verschrikkelijke verdriet te deel gevallen
Mijn liefste jongen is m'n ontnomen. Hij is
14 dagen geleden gestorven. Hij heb 4 jaar
lang hard gewerkt en nu verleden jaar kreeg
hij een vasten standplaats op de Albert Cuypstr
plaats 33 voor percel 95. Toen is hij ziek geworden met
het noodlottige gevolg. Mijn man is schoenmaker
en door de tegenwoordige tijd niet bij machten
ons in onze levensonderhoud te voorzien. Onze Leo
had een hele boel klanten en wat hij verdiende
kunnen we niet missen. Nu wil ik wat Leo
4 jaar met hard werken opgebouwd heb voortzetten
Alle klanten krijgen we weer terug. U kan
Mijnheer Modderkerk vragen of ik Leo altijd
geholpen heb en hij zal U dan wel vertellen
dat ik het wel weer in orde krijg. Mijn klanten
zoeken mij voor percel 95. De Vergunning van
Leo is over geschreven op mijn naam gisteren
dus dat is gelukkig in orde. De Grossiers waar
we altijd kochten zullen hun medewerking
geven
[onderaan rechts:] 25 * Inhoud: De schrijfster, Mej. Prins-Abbij, richt zich tot de autoriteiten naar aanleiding van het plotselinge overlijden van haar zoon Leo. Leo had een groente- en fruitkraam op de Albert Cuypmarkt (standplaats 33, voor pand 95). De moeder verzoekt om de kraam te mogen voortzetten omdat het inkomen van haar man, die schoenmaker is, in de huidige omstandigheden onvoldoende is om van te leven. Ze benadrukt dat ze haar zoon altijd hielp en dat de vergunning inmiddels al op haar naam is overgeschreven.
* Toon: De brief is emotioneel en beleefd, maar ook getuigt hij van zakelijke urgentie. De persoonlijke tragedie (verlies van een kind) wordt direct gekoppeld aan de economische noodzaak.
* Taalgebruik: Typisch voor de periode en sociale klasse; eerbiedig ("Weled Heer") met kleine grammaticale imperfecties ("Hij heb", "percel").
* Referenties: Ze verwijst naar een "Mijnheer Modderkerk" (waarschijnlijk een marktmeester of opzichter) als referentie voor haar inzet en bekwaamheid. * Historische context: De brief is geschreven tijdens de Duitse bezetting van Nederland in de Tweede Wereldoorlog (november 1942). De verwijzing naar de "tegenwoordige tijd" waarbij de schoenmaker niet meer in het onderhoud kan voorzien, duidt op de economische malaise, schaarste en beperkingen die de oorlog met zich meebracht.
* Locatie: De Albert Cuypmarkt in de Amsterdamse Pijp was (en is) een vitaal onderdeel van de Amsterdamse volkscultuur en economie. Voor veel families was een marktplaats de enige bron van inkomsten.
* Administratief: Het document toont de bureaucratische afhandeling van marktvergunningen in oorlogstijd. Ondanks de ellende van de oorlog gingen de gemeentelijke processen door, en moesten burgers formeel toestemming vragen voor het voortzetten van nering. De stempel laat zien dat de brief de volgende dag (27 november) direct in behandeling is genomen.