Ambtelijk rapport/proces-verbaal van verhoor.
Origineel
Ambtelijk rapport/proces-verbaal van verhoor. 23 april 1942. [1] Bootsma heeft [en] vaste marktplaats op het Dapper-
[2] plein voor den verkoop van gerookte visch.
[3] Bootsma koopt in ’t groot in en heeft enkele
[4] personen in zijn dienst, welke [die] met zijn
[5] handel hier en daar marktplaatsen in-
[6] nemen. Nu komt het wel voor dat hij
[7] zich van zijn handel "los" moet maken
[8] en dan deelt hij visch over aan andere
[9] kleinhandelaren. Dus grossiert hij af en
[10] toe.
[11] De klachten welke bij den C.C.D. waren
[12] ingekomen hielden in, dat Bootsma na
[13] visch te hebben overgedragen aan kleinhan-
[14] delaren, op denzelfden dag zijn knechten
[15] met denzelfden handel plaatsen liet inne-
[16] men op dezelfde markten en tegen een
[17] lagere prijs liet verkoopen dan voor welke
[18] hij als "grossier" had verkocht.
[19] Bootsma bij mij ontboden, deelde mij
[20] mede dat het [..] bovenvermelde inderdaad
[21] wel eens, doch zonder opzet, kan hebben plaats
[22] gevonden. Dit was dan noodig, door de
[23] visch dan "weg" moest, door deze
[24] anders moest worden afgekeurd.
[25] 23-4-'42
[26] de Haan
[27] Zie rapport 2.0.2. Het document is een verslag van een klacht en een daaropvolgend verhoor betreffende de handelspraktijken van een vishandelaar genaamd Bootsma op het Amsterdamse Dapperplein.
De kern van de klacht is oneerlijke concurrentie en prijsbederf. Bootsma fungeert blijkbaar zowel als groothandelaar (grossier) als detailhandelaar. Hij verkoopt partijen gerookte vis aan kleinere handelaren, maar stuurt vervolgens op dezelfde dag zijn eigen personeel naar dezelfde markt om diezelfde vis tegen een lagere prijs te verkopen dan de inkoopprijs die hij de kleinhandelaren rekende. Hierdoor worden de kleinhandelaren uit de markt geprijsd met de waar die zij net van hem gekocht hebben.
Bootsma’s verweer (zoals genoteerd door rapporteur De Haan) is een beroep op overmacht. Hij geeft toe dat het gebeurt, maar stelt dat dit "zonder opzet" is. Zijn argument is dat gerookte vis een bederfelijk product is; als de vis niet snel verkocht wordt ("weg moest"), zou deze door de keuringsdienst worden afgekeurd en zou hij zijn volledige investering verliezen. Hij geeft hiermee prioriteit aan het liquideren van zijn eigen voorraad boven de handelsbelangen van zijn afnemers. Dit document is geschreven op 23 april 1942, midden in de Duitse bezetting van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. In deze periode was er sprake van toenemende schaarste en strikte distributieregels.
De genoemde instantie, de C.C.D. (Crisis Controle Dienst), speelde een cruciale rol in het dagelijks leven. Deze dienst was belast met het toezicht op de prijzen, de distributie van goederen en de bestrijding van de zwarte handel. Omdat voedsel schaars was, werden prijzen door de overheid vastgesteld om woekerwinsten en inflatie te voorkomen.
Handelspraktijken zoals die van Bootsma werden door de C.C.D. nauwlettend in de gaten gehouden, omdat prijsmanipulatie de stabiliteit van de voedselvoorziening in gevaar kon brengen. Het document illustreert de bureaucratische controle op de kleinhandel in oorlogstijd, waarbij zelfs de dagelijkse gang van zaken op een lokale markt als het Dapperplein onderwerp kon zijn van officieel onderzoek. Bootsma (De heer)