Archiefdocument
Origineel
20 mei 1942 Een vishandelaar (ondergetekende), handelend in verse en gerookte vis. Nº 46 A/188/1 M. 1942 22/5 G
A’dam 20-5-42
Mijnheer
Onderget: een zaak drijvende in versche en gerookte vis, daarin een behoorlijk kwantum verkocht hebbende, cijfers bekend zijnde Ned Visserij Centrale, is zoo vrij langs deze weg met een beleefd maar dringend verzoek lastig te vallen, aangaande het verstrekken van toewijzingen aan de bonafide viswinkeliers
Mijn toewijzingen zijn nagenoeg alle dubbel, het hoogste wat er verstrekt kan worden, heb in het tijdvak van een maand ontvangen van 22-4-42 t/m 20.5.42, 315 pond aal, 8 bakken garnalen van 15 Kg, 7 kistjes gepelde garnalen, deze vis verkocht hebbende tegen maximumprijzen, geeft een winstmarge van zegge f 67.84, dit bedrag is de winst van een winkelier dien er geen nevenbedrijf of andere artikelen op nahoudt, nu zegt de Commissie der verdeeling wel dat men zijn toewijzing als een gift moet beschouwen, mijn inziens is dit wel een heel bescheiden gift voor een zaak waarvoor deze artikelen zijn hoofdbron van inkomsten zijn, en nu 6 van de 7 dagen der week met het opschrift pronkt aal uitverkocht.
Zoo ook met de gerookte aal, dien wij winkeliers ook met groote kwantums des zaterdags hebben verkocht, komen daar niet voor in aanmerking omdat wij versche aal toegewezen krijgen, en nu voor het rooken van onze versche aal een speciale vergunning moeten aanvragen, zoo wilde ik U vragen wat moeten wij laten rooken van dien paar pond aal dien wij ontvangen.
Zou het niet mogelijk zijn, dat er voor dien bonafide winkeliers geen grooter kwantum beschikbaar gesteld kan worden, en tevens inlasseling van dien winkeliers, die kunnen aantoonen dat zij een groot kwantum gerookte aal hebben verkocht voor de oorlogsjaren, in de verdeeling van
z. o. z. * Toon: De brief is geschreven in een formele, enigszins onderdanige maar beslist dringende toon ("beleefd maar dringend verzoek"). De schrijver spreekt vanuit de positie van een "bonafide" (betrouwbare) ondernemer die klem komt te zitten tussen regels en schaarste.
* Kernproblematiek: De vishandelaar ontvangt te weinig voorraad om van te kunnen overleven. Een maandwinst van 67,84 gulden is ontoereikend voor een speciaalzaak zonder andere inkomsten.
* Bureaucratische frictie: De schrijver hekelt de houding van de "Commissie der verdeeling" die de rantsoenen als een "gift" bestempelt. Daarnaast is er frustratie over de nieuwe regelgeving waarbij voor het roken van de reeds schaarse verse aal een aparte vergunning nodig is.
* Cijfers: De brief geeft een concreet inkijkje in de rantsoenen van mei 1942: 315 pond aal en een beperkte hoeveelheid garnalen per maand voor een professionele vishandel. Dit document stamt uit de periode van de Duitse bezetting van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. In 1942 was de schaarste in de voedselvoorziening alomtegenwoordig en was de distributie strak gereguleerd door de overheid onder toezicht van de bezetter.
De Nederlandsche Visserij Centrale (NVC) was het orgaan dat toezag op de vangst en distributie van vis. Om zwarte handel tegen te gaan, werden maximumprijzen vastgesteld, wat de winstmarges voor legale handelaren zoals de schrijver minimaliseerde. De brief illustreert de overgang van een vrije markt naar een geleide economie, waarbij ondernemers volledig afhankelijk werden van bureaucratische toewijzingen ("toewijzingen") om hun nering voort te kunnen zetten. De vermelding "aal uitverkocht" op zes van de zeven dagen getuigt van de lege schappen die het straatbeeld in die jaren bepaalden.