Doorslag van een ambtelijke brief.
Origineel
Doorslag van een ambtelijke brief. 25 augustus 1942. Vermoedelijk een gemeentelijke dienst of adviseur (gezien de context van Amsterdam en de verwijzing naar de "Gemeentelijken Adviseur voor Voedings- en Distributie-aangelegenheden"). Den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen, Alhier. (bedoeld wordt de wethouder van Amsterdam). [Rechtsboven:] VD/HB.
[Midden rechts:]
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
[Links:] 46A/188/5 M. [Midden:] 1. [Rechts:] 25 Augustus 1942.
Klacht visch-
verdeeling.
Onder terugzending van het met Uw kantbrief d.d 14 dezer om spoedig advies ontvangen stuk No.259 L.M. 1942 heb ik de eer U te berichten, dat klachten als de onderhavige herhaaldelijk in behandeling moeten worden genomen. Laatstelijk werd op een soortgelijke klacht van het Nederlandsch Arbeids Front een uitvoerig advies uitgebracht(vide mijn brief d.d. 3 Juli j.l. No.46A/4/45M). De oorzaak van een en ander moet in hoofdzaak worden gezocht in het feit, dat er te weinig visch voor de Amsterdamsche verdeeling wordt aangeboden. ( Zie hieromtrent het gemeenschappelijk rapport van den Gemeentelijken Adviseur voor Voedings-en Distributie-aangelegenheden en ondergetekende d.d. 29 Juli j.l. No. 46A/4/50M.).
De kwestie van de visch-en fruitzaken is, zooals U bekend is, uitvoerig, veelal mondeling, ook door den Gemeentelijken Adviseur, behandeld, waarbij door U werd bepaald, dat, aangezien het aalseizoen vrijwel is afgeloopen, en door de bedrijfsorganisatie, visch ondervakgroep kleinhandel, binnenkort de erkenningen als vischhandelaar worden behandeld, waarbij het standpunt zal worden ingenomen, dat slechts een erkenning als vischhandelaar zal worden uitgereikt aan diegenen, die het vischbedrijf als hoofdzaak uitoefenen, vooralsnog van de zijde van de Gemeente terzake geen Deze brief is een formeel antwoord aan de Amsterdamse wethouder voor Levensmiddelen betreffende aanhoudende klachten over de visdistributie in de stad. De kern van het probleem is volgens de schrijver simpelweg een gebrek aan aanbod van vis voor de Amsterdamse markt.
Er wordt verwezen naar eerdere correspondentie en adviezen, waaronder een klacht van het Nederlandsch Arbeids Front (NAF), de nationaalsocialistische vakorganisatie die tijdens de bezetting de plaats van de verboden vakbonden had ingenomen.
Een belangrijk beleidspunt dat in de tweede alinea wordt aangestipt, is de sanering van de detailhandel. Vanwege de schaarste wilde men de distributie stroomlijnen. Er werd besloten dat alleen winkeliers die visverkoop als hun hoofdactiviteit hadden, nog een officiële erkenning als visdetailhandelaar zouden krijgen. Dit was bedoeld om "beunhazen" of winkeliers die vis er slechts bij deden (zoals sommige fruitzaken) uit de keten te verwijderen, zodat de weinige beschikbare vis terechtkwam bij de gespecialiseerde handel. In augustus 1942 bevond Nederland zich in het derde jaar van de Duitse bezetting. De voedselsituatie werd steeds nijpender en bijna alle levensmiddelen waren op de bon. Vis was een belangrijk alternatief voor het schaarse vlees, maar de aanvoer was problematisch door de oorlogsvoering op de Noordzee en de beperkingen die de bezetter oplegde aan de visserij.
De Wethouder voor de Levensmiddelen (in Amsterdam was dit in die periode de pro-Duitse Edward Voûte, die tevens regeringscommissaris/burgemeester was, of een direct onder hem vallende functionaris) was verantwoordelijk voor de eerlijke verdeling van de schaarse goederen in de stad. Het feit dat het Nederlandsch Arbeids Front zich met de zaak bemoeide, onderstreept de politieke lading van voedseldistributie; de bezetter en hun sympathisanten wilden onrust onder de arbeiders voorkomen door de voedselvoorziening zo goed mogelijk te laten lijken. De genoemde "erkenningen" waren onderdeel van de toenemende regulering en centralisatie van de economie onder toezicht van de bezetter.