Handgeschreven brief (verzoekschrift).
Origineel
Handgeschreven brief (verzoekschrift). 13 augustus 1942. M. Preser, Marnixstraat 202, Amsterdam. De Weledelgeboren Heer Directeur der Centrale Markt, Amsterdam. [Plaats en datum:]
Amsterdam 13 Augo 1942
[Adressering:]
Aan de Wel Ed Heer Directeur der
Centrale Markt - Alhier
[Inhoud:]
M.H. In antwoord op u brief dato 11/8
N: 66/11/4. Waarin ik nog schuld zou
hebben van f 53.32. aan plaatsgeld –
heb ik de eer te melden, dat ik in mijn
vorige schrijven u mededeelde dat ik
om gezondheid en financieele redenen
niet meer mijn plaats kon houden
Sinds al dien tijd heb ik geen zaken
kunnen en mogen doen op de markt
dus heb in 1942 niets verdiend. Nu
zou ik UEd willen verzoeken om mij
van deze schuld kwijt te schelden.
Hopende UEd mij dit verzoek
zult kunnen toestaan.
[Afsluiting:]
Verblijf ik met de
meeste Hoogachting
UEd dw Dienaar
M. Preser
Marnixstraat 202 – In deze brief reageert M. Preser op een aanmaning van de administratie van de Centrale Markt in Amsterdam voor een openstaand bedrag van 53,32 gulden aan "plaatsgeld" (huur voor een marktkraam). De schrijver voert twee hoofdoorzaken aan voor het niet kunnen betalen:
1. Gezondheid: De afzender geeft aan fysiek niet in staat te zijn de marktplaats te exploiteren.
2. Uitsluiting: De formulering dat de afzender geen zaken heeft "kunnen en mogen doen" is cruciaal. Het duidt erop dat de afzender niet alleen door persoonlijke omstandigheden, maar ook door externe (juridische/politieke) verboden werd verhinderd zijn beroep uit te oefenen.
De toon van de brief is uiterst beleefd en formeel ("Wel Ed Heer", "UEd dw Dienaar"), wat gebruikelijk was in correspondentie met overheidsinstanties, maar hier ook een ondertoon van wanhoop en onderdanigheid heeft gezien de tijdsperiode. De datum van de brief (augustus 1942) is zeer veelzeggend. Nederland was op dat moment bezet door nazi-Duitsland. De schrijver, M. Preser, woonachtig aan de Marnixstraat, was hoogstwaarschijnlijk van Joodse afkomst. Vanaf 1941 werden er stelselmatig anti-Joodse maatregelen ingevoerd die Joden uitsloten van het economisch leven.
In 1941 en 1942 werden Joodse marktkooplieden verbannen van de reguliere markten. Ze mochten hun beroep niet meer uitoefenen op de Centrale Markt. De zinsnede "niet mogen doen" verwijst direct naar deze uitsluiting. Veel Joodse Amsterdammers raakten hierdoor in diepe armoede terwijl zij nog wel aangeslagen werden voor lopende kosten of oude schulden. In de zomer van 1942, de maand waarin deze brief is geschreven, waren de grootschalige deportaties naar de vernietigingskampen reeds in volle gang. Documenten als deze vormen een wrang bewijs van de bureaucratische kilheid waarmee de bezetter en lokale instanties doorwerkten, terwijl de getroffenen in een overlevingsstrijd verwikkeld waren.