Archief 745
Inventaris 745-393
Pagina 399
Dossier 24
Jaar 1942
Stadsarchief

Getypte brief met handgeschreven kanttekeningen en stempel.

9 januari 1942. Van: J. van Delft, 1e Jan Steenstraat 122 I, Amsterdam.

Origineel

Getypte brief met handgeschreven kanttekeningen en stempel. 9 januari 1942. J. van Delft, 1e Jan Steenstraat 122 I, Amsterdam. No 103/1/4 M. 1942 9/1 [stempel in blauw/paars]

J. van Delft
Amsterdam, 9 Januari 1942
1e Jan Steenstraat 122 I

Den Heer Directeur van het Marktwezen
Jan van Galenstraat 14
A m s t e r d a m (W)

Uw schrijven dato 5 Januari 1942
No. 103/1/2 M.

m. Dir. Insp [handgeschreven in potlood/pen]

Weled. Gestr. Heer,

Van den inhoud van Uw bovengenoemd schrijven heb ik goede nota genomen en verzoek ik U beleefd mij te willen verontschuldigen voor het te mijnen laste gelegde feit.
Het zij mij vergund U de juiste toedracht te mogen mededeelen, teneinde daardoor een wellicht onjuiste indruk te kunnen wegnemen.

Op 2 Januari l.l. vervoegde zich buiten het hek op de markt aan de Gaaspstraat, tegen ± 12 uur v.m.. de knecht Witbraad, in dienst van den Heer J. ten Noord, die een standplaats in groenten heeft aan de markt Albert Cuypstraat, ik meen voor perceel 98 en verzocht genoemde Witbraad mij, of ik bereid was aan zijn werkgever een kistje groene kool te leenen. Ik heb daarop toestemmend geantwoord en hem verzocht mij mede te willen helpen bedoeld kistje van mijn kar op zijn bakfiets te plaatsen, welke bakfiets eveneens buiten het hek van de markt Gaaspstraat stond. Bedoeld kistje woog n.l. ± 50 KG en waar ik gedeeltelijk invalide ben, doordat ik mijn linkerhand niet kan gebruiken, was het mij alleen niet mogelijk om dit kistje op de bakfiets van den Heer ten Noord over te plaatsen.
Dit verzoek aan Witbraad had ik niet moeten doen, aangezien ariërs geen toegang hebben op de markt en voor dit feit verzoek ik U dan ook mijn verontschuldigingen te willen aannemen, U mededeelende, dat ik zorg zal dragen, dat een dergelijke overtreding zich niet meer zal voordoen.

Ik neem tevens deze gelegenheid te baat, om U mede te deelen, dat ik altijd door noeste arbeid in het onderhoud van mij en mijn gezin heb kunnen voorzien, dat mijn gezin buiten mijn echtgenoote en mij, bestaat uit een dochter, oud 20 jaar, die uit haar vroegere betrekking bij de Stawo ontslagen is en een zoon, oud 21 jaar, die f. 8.- per week in dienst van de Vana verdient.
Mijn inkomen bedraagt gemiddeld f. 25.- tot f. 30.- per week, waarvan ik de huishuur betaal en f. 20.- aan mijn vrouw ter hand stel, terwijl ook mijn zoon de door hem verdiende gelden aan mijn vrouw geeft.
Van deze f. 28.- moet voeding, kleeding, enz. ten behoeve van ons vieren worden bekostigd.

Toen ik compagnon was met den Heer Meyer, was mijn inkomen vanzelfsprekend grooter en was daardoor het leven ook gemakkelijker voor mij. Nu kunnen wij slechts door de grootste zuinigheid te betrachten, de allernoodzakelijkste kosten voldoen.

Het is naar aanleiding hiervan, dat ik U beleefd verzoek, om indien mogelijk, de mij toegekende straf tot en met 19 Januari a.s. te willen beperken en zult U mij met inwilliging hiervan ten zeerste verplichten. * Context van de overtreding: De briefschrijver, J. van Delft, heeft een straf opgelegd gekregen omdat hij een "ariër" (de knecht Witbraad) om hulp heeft gevraagd bij het tillen van een zware kist kolen (50 kg). De overtreding vond plaats bij de markt aan de Gaaspstraat.
* Argumentatie: Van Delft voert twee hoofdredenen aan voor clementie:
1. Fysieke beperking: Hij is gedeeltelijk invalide aan zijn linkerhand en kon de zware kist niet alleen tillen.
2. Financiële nood: Hij schetst een gedetailleerd beeld van de armoede waarin zijn gezin verkeert. Zijn dochter is werkloos (ontslagen bij Stawo) en zijn zoon verdient slechts 8 gulden per week bij de Vana. Het totale gezinsinkomen voor vier personen is ongeveer 28 gulden per week na aftrek van huur.
* Toon: De toon is uiterst onderdanig en formeel ("Weled. Gestr. Heer", "beleefd verzoek"). Dit is kenmerkend voor correspondentie van burgers met instanties tijdens de bezettingsjaren, zeker wanneer er sprake was van sancties. Dit document is een aangrijpende illustratie van de gevolgen van de anti-Joodse maatregelen in bezet Amsterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog.

  1. Segregatie: De markt aan de Gaaspstraat was een van de weinige plekken waar het Joodse kooplui vanaf 1941 nog was toegestaan handel te drijven. "Ariërs" (niet-Joden) mochten deze markten niet betreden en er mocht geen zakelijk contact of hulpuitwisseling plaatsvinden tussen Joden en niet-Joden.
  2. Economische uitsluiting: Het feit dat de dochter ontslagen is bij de "Stawo" (Stadsreiniging/Stadswerken) past in het patroon van het ontslag van Joodse ambtenaren en werknemers bij semioverheidsinstellingen.
  3. Toezicht: Het document toont aan hoe streng het Marktwezen (onder toezicht van de bezetter) toezag op de kleinste overtredingen van de rassenwetten, zoals het simpelweg helpen tillen van een kist buiten de markthekken. De straf die Van Delft kreeg (waarschijnlijk een ontzegging van de markttoegang voor een bepaalde periode) betekende voor een gezin dat al op de armoedegrens leefde een directe bedreiging voor hun overleving.

Samenvatting

  • Context van de overtreding: De briefschrijver, J. van Delft, heeft een straf opgelegd gekregen omdat hij een "ariër" (de knecht Witbraad) om hulp heeft gevraagd bij het tillen van een zware kist kolen (50 kg). De overtreding vond plaats bij de markt aan de Gaaspstraat.
  • Argumentatie: Van Delft voert twee hoofdredenen aan voor clementie:
    1. Fysieke beperking: Hij is gedeeltelijk invalide aan zijn linkerhand en kon de zware kist niet alleen tillen.
    2. Financiële nood: Hij schetst een gedetailleerd beeld van de armoede waarin zijn gezin verkeert. Zijn dochter is werkloos (ontslagen bij Stawo) en zijn zoon verdient slechts 8 gulden per week bij de Vana. Het totale gezinsinkomen voor vier personen is ongeveer 28 gulden per week na aftrek van huur.
  • Toon: De toon is uiterst onderdanig en formeel ("Weled. Gestr. Heer", "beleefd verzoek"). Dit is kenmerkend voor correspondentie van burgers met instanties tijdens de bezettingsjaren, zeker wanneer er sprake was van sancties.

Historische Context

Dit document is een aangrijpende illustratie van de gevolgen van de anti-Joodse maatregelen in bezet Amsterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog.

  1. Segregatie: De markt aan de Gaaspstraat was een van de weinige plekken waar het Joodse kooplui vanaf 1941 nog was toegestaan handel te drijven. "Ariërs" (niet-Joden) mochten deze markten niet betreden en er mocht geen zakelijk contact of hulpuitwisseling plaatsvinden tussen Joden en niet-Joden.
  2. Economische uitsluiting: Het feit dat de dochter ontslagen is bij de "Stawo" (Stadsreiniging/Stadswerken) past in het patroon van het ontslag van Joodse ambtenaren en werknemers bij semioverheidsinstellingen.
  3. Toezicht: Het document toont aan hoe streng het Marktwezen (onder toezicht van de bezetter) toezag op de kleinste overtredingen van de rassenwetten, zoals het simpelweg helpen tillen van een kist buiten de markthekken. De straf die Van Delft kreeg (waarschijnlijk een ontzegging van de markttoegang voor een bepaalde periode) betekende voor een gezin dat al op de armoedegrens leefde een directe bedreiging voor hun overleving.

Kooplieden in dit dossier 4

Gerelateerde Documenten 6