Getypte brief (doorslag/kopie) met handgeschreven kanttekeningen.
Origineel
Getypte brief (doorslag/kopie) met handgeschreven kanttekeningen. 2 september 1942. De Directeur (vermoedelijk van de Gemeentelijke Marktdienst Amsterdam of een gerelateerde afdeling). H. Lubury [handgeschreven, rood potlood]
VB/HB. [getypt]
Verzonden 4/9 [handgeschreven, rood potlood]
den Heer A. Gombault,
Wirtschaftsreferent Bureau Beauftragte
voor de Stad Amsterdam,
Museumplein 19,
Amsterdam-Zuid.
103/93/2 M.
2 September 1942.
marktplaats Gaaspstraat
ten name van I. Pach.
Naar aanleiding van Uw brief d.d. 14 Augustus j.l. bericht
ik U, dat van de 381 kooplieden, die in de Gaaspstraat plaatsen
bezetten, er 137 textielwaren verkoopen. In verband hiermede,
acht ik het voor de voorziening der Joodsche bevolking van dit
artikel niet noodzakelijk, dat Izak Pach een plaats op genoemde
markt met dit artikel wordt toegewezen.
De Directeur, Deze brief is een formeel antwoord op een verzoek om een marktplaats toe te wijzen aan Izak Pach op de markt in de Gaaspstraat voor de verkoop van textielwaren. De aanvraag wordt afgewezen op basis van kwantitatieve gronden: er zouden reeds voldoende textielhandelaren (137 van de 381) aanwezig zijn om in de behoeften van de "Joodsche bevolking" te voorzien.
Opvallend is de bureaucratische toon en de betrokkenheid van het 'Bureau Beauftragte voor de Stad Amsterdam'. De Beauftragte (Hans Böhmcker) was de Duitse toezichthouder op het Amsterdamse gemeentebestuur. De adressering aan de 'Wirtschaftsreferent' (economisch adviseur) onderstreept hoe diep de bezetter ingreep in de dagelijkse economische gang van zaken en de regulering van de Joodse gemeenschap. Het document dateert van september 1942, een periode waarin de Jodenvervolging in Nederland in een fatale fase was beland. De deportaties waren in juli 1942 begonnen.
De markt in de Gaaspstraat was een van de drie zogenaamde 'Joodsche markten' (naast het Waterlooplein en de Joubertstraat) die in november 1941 door de bezetter waren ingesteld. Joodse handelaren en marktkooplieden mochten vanaf dat moment alleen nog op deze aangewezen locaties staan, en alleen Joden mochten hier inkopen doen. Dit was een maatregel om de Joodse bevolking verder te isoleren en te segregeren van de rest van de samenleving.
De weigering om Izak Pach een vergunning te geven, ondanks de penibele omstandigheden waarin Joodse Amsterdammers destijds verkeerden om in hun levensonderhoud te voorzien, toont de rigide controle op de marginale economische ruimte die hen nog restte. A. Gombault H. Lubury I. Pach
Samenvatting
Deze brief is een formeel antwoord op een verzoek om een marktplaats toe te wijzen aan Izak Pach op de markt in de Gaaspstraat voor de verkoop van textielwaren. De aanvraag wordt afgewezen op basis van kwantitatieve gronden: er zouden reeds voldoende textielhandelaren (137 van de 381) aanwezig zijn om in de behoeften van de "Joodsche bevolking" te voorzien.
Opvallend is de bureaucratische toon en de betrokkenheid van het 'Bureau Beauftragte voor de Stad Amsterdam'. De Beauftragte (Hans Böhmcker) was de Duitse toezichthouder op het Amsterdamse gemeentebestuur. De adressering aan de 'Wirtschaftsreferent' (economisch adviseur) onderstreept hoe diep de bezetter ingreep in de dagelijkse economische gang van zaken en de regulering van de Joodse gemeenschap.
Historische Context
Het document dateert van september 1942, een periode waarin de Jodenvervolging in Nederland in een fatale fase was beland. De deportaties waren in juli 1942 begonnen.
De markt in de Gaaspstraat was een van de drie zogenaamde 'Joodsche markten' (naast het Waterlooplein en de Joubertstraat) die in november 1941 door de bezetter waren ingesteld. Joodse handelaren en marktkooplieden mochten vanaf dat moment alleen nog op deze aangewezen locaties staan, en alleen Joden mochten hier inkopen doen. Dit was een maatregel om de Joodse bevolking verder te isoleren en te segregeren van de rest van de samenleving.
De weigering om Izak Pach een vergunning te geven, ondanks de penibele omstandigheden waarin Joodse Amsterdammers destijds verkeerden om in hun levensonderhoud te voorzien, toont de rigide controle op de marginale economische ruimte die hen nog restte.