Briefkaart (Nederlandse post)
Origineel
Briefkaart (Nederlandse post) Mevr. B. Wijnschenk, Blasiusstraat 111 II, Amsterdam. Linkerzijde (bericht en afzender):
No. 103/95/2 M. 1043 2/9
man in R.W.K.
Echtgen. moet bekend
maken of zij persoonlijk
van marktplaats
gebruik wenscht
te maken. 1/9 '42
AFZ. Mevr. B. Wijnschenk
Dinsdag
Blasiusstraat 111 II
Rechterzijde (adres):
Aan den Inspec
teur v. Marktwezen
Jan v. Galenstraat 121
(West)
Alhier
Poststempel en zegel:
NEDERLAND 4 ct VRIJ
AMSTERDAM C.S. 11 IX 1942 * Inhoud: De kaart bevat een korte, formele mededeling of reactie op een verzoek van de Inspectie van het Marktwezen. Er wordt gemeld dat de "man in R.W.K." (Rijks-Werk-Kamp) verblijft. De echtgenote wordt gevraagd (of zij geeft hierbij aan) of zij de marktplaats persoonlijk wil blijven gebruiken.
* Terminologie: De afkorting R.W.K. staat voor Rijks-Werk-Kampen. In 1942 werden deze kampen door de Duitse bezetter gebruikt om Joodse mannen te concentreren voor dwangarbeid, als voorstadium voor deportatie naar kamp Westerbork.
* Handschrift en Stijl: De tekst is zakelijk en droog. Het lijkt erop dat de afzendster een instructie of regeling citeert waaraan zij moet voldoen om haar mans marktvergunning of standplaats te behouden.
* Adressering: De Jan van Galenstraat 121 was de locatie van de Centrale Markthallen in Amsterdam, waar de administratie van het marktwezen gevestigd was. * Historische Context: Dit document is een aangrijpend voorbeeld van de "bureaucratie van de vervolging" tijdens de Tweede Wereldoorlog. Terwijl Joodse burgers uit hun dagelijks leven werden weggerukt en naar werkkampen werden gestuurd, bleven de gemeentelijke instanties de administratie rondom marktvergunningen strikt uitvoeren.
* Biografische achtergrond: De afzendster is Betje Wijnschenk-Wijnschenk. Uit historische bronnen (zoals het Joods Monument) blijkt dat haar echtgenoot, Abraham Wijnschenk, marktkoopman was. Hij werd inderdaad naar een werkkamp gestuurd.
* Tragiek: De kaart is gestempeld op 11 september 1942. Amper drie weken later, op 30 september 1942, zijn zowel Abraham als Betje Wijnschenk, evenals hun twee kinderen, vermoord in Auschwitz. Deze kaart legt het moment vast waarop Betje nog probeerde de zaken voor hun levensonderhoud (de marktplaats) te regelen, onwetend van het feit dat hun deportatie en dood nabij waren. B. Wijnschenk R.W.K. Marktwezen
Samenvatting
- Inhoud: De kaart bevat een korte, formele mededeling of reactie op een verzoek van de Inspectie van het Marktwezen. Er wordt gemeld dat de "man in R.W.K." (Rijks-Werk-Kamp) verblijft. De echtgenote wordt gevraagd (of zij geeft hierbij aan) of zij de marktplaats persoonlijk wil blijven gebruiken.
- Terminologie: De afkorting R.W.K. staat voor Rijks-Werk-Kampen. In 1942 werden deze kampen door de Duitse bezetter gebruikt om Joodse mannen te concentreren voor dwangarbeid, als voorstadium voor deportatie naar kamp Westerbork.
- Handschrift en Stijl: De tekst is zakelijk en droog. Het lijkt erop dat de afzendster een instructie of regeling citeert waaraan zij moet voldoen om haar mans marktvergunning of standplaats te behouden.
- Adressering: De Jan van Galenstraat 121 was de locatie van de Centrale Markthallen in Amsterdam, waar de administratie van het marktwezen gevestigd was.
Historische Context
- Historische Context: Dit document is een aangrijpend voorbeeld van de "bureaucratie van de vervolging" tijdens de Tweede Wereldoorlog. Terwijl Joodse burgers uit hun dagelijks leven werden weggerukt en naar werkkampen werden gestuurd, bleven de gemeentelijke instanties de administratie rondom marktvergunningen strikt uitvoeren.
- Biografische achtergrond: De afzendster is Betje Wijnschenk-Wijnschenk. Uit historische bronnen (zoals het Joods Monument) blijkt dat haar echtgenoot, Abraham Wijnschenk, marktkoopman was. Hij werd inderdaad naar een werkkamp gestuurd.
- Tragiek: De kaart is gestempeld op 11 september 1942. Amper drie weken later, op 30 september 1942, zijn zowel Abraham als Betje Wijnschenk, evenals hun twee kinderen, vermoord in Auschwitz. Deze kaart legt het moment vast waarop Betje nog probeerde de zaken voor hun levensonderhoud (de marktplaats) te regelen, onwetend van het feit dat hun deportatie en dood nabij waren.