Doorslag van een officiële brief (ambtelijke correspondentie).
Origineel
Doorslag van een officiële brief (ambtelijke correspondentie). 22 oktober 1942. De Directeur (vermoedelijk van de Dienst der Markten, Gemeente Amsterdam). Mw. J. Vischjager-van Collem, Ruyschstraat 131 II, Amsterdam-Oost (Wijk 11). [Handgeschreven, bovenkant midden:]
Verzonden 22/10 Jmp
[Getypt:]
HG.
103/143/2 M.
22 October 1942.
Mw. J.Vischjager-van Collem,
Ruyschstraat 131 II,
Amsterdam-Oost.
Wijk 11.
Naar aanleiding van Uw brief d.d. 13 October jl.
bericht ik U, dat geen vrijstelling van betaling van markt-
geld kan worden verleend bij uitzending naar Duitschland.
De aan Uw echtgenoot verleende marktplaats op de
markt Gaaspstraat zal derhalve worden ingetrokken, tenzij U
persoonlijk van de plaats gebruik wenscht te maken en mij
daarvan onder opgave van het door U te verkoopen artikel ten
spoedigste kennis geeft.
De Directeur, Deze brief is een kil voorbeeld van de bureaucratische afhandeling van de Jodenvervolging in Amsterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog. De kern van de brief is de afwijzing van een verzoek om vrijstelling van marktgeld.
Hoofdpunten:
1. Terminologie: De deportatie van de echtgenoot van de geadresseerde wordt eufemistisch omschreven als "uitzending naar Duitschland". Dit was de standaard ambtelijke term om de werkelijkheid van de deportaties naar de concentratie- en vernietigingskampen te verhullen.
2. Onverzettelijkheid: De gemeente weigert enige financiële coulance. Omdat de echtgenoot "uitgezonden" is, vervalt zijn recht op de marktplaats op de Gaaspstraat, tenzij zijn vrouw de plek direct zelf inneemt.
3. Dwang: Door de nadruk op het woord "persoonlijk" en de eis tot onmiddellijke opgave van de handelswaar ("ten spoedigste"), wordt de ontvanger onder zware druk gezet. In de praktijk betekende dit vaak dat Joodse ondernemers hun nering verloren omdat zij door de omstandigheden niet in staat waren de exploitatie voort te zetten. De brief is gericht aan Judith Vischjager-van Collem (1899-1942). Haar echtgenoot was Jonas Vischjager (1896-1943), die als koopman op de markt stond. De genoemde Gaaspstraat in de Rivierenbuurt was vanaf november 1941 door de bezetter aangewezen als een van de weinige specifieke "Joodse markten" waar Joodse kooplieden nog mochten staan en Joods publiek mocht winkelen.
Op het moment dat deze brief werd geschreven (22 oktober 1942), waren de grootschalige deportaties vanuit Amsterdam in volle gang. Het is wrang om te zien hoe de gemeentelijke bureaucratie zich op dat moment druk maakte over de strikte inning van marktgeld en het intrekken van vergunningen van mensen die op transport waren gesteld.
Uit historische bronnen (zoals het Joods Monument) blijkt dat Judith Vischjager-van Collem kort na deze brief, op 13 november 1942, in Auschwitz is vermoord. Haar man Jonas kwam daar in januari 1943 om het leven. Dit document illustreert hoe de onteigening van Joods bezit en het ontnemen van middelen van bestaan hand in hand gingen met de fysieke vernietiging. J. Vischjager Gemeente Amsterdam
Samenvatting
Deze brief is een kil voorbeeld van de bureaucratische afhandeling van de Jodenvervolging in Amsterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog. De kern van de brief is de afwijzing van een verzoek om vrijstelling van marktgeld.
Hoofdpunten:
1. Terminologie: De deportatie van de echtgenoot van de geadresseerde wordt eufemistisch omschreven als "uitzending naar Duitschland". Dit was de standaard ambtelijke term om de werkelijkheid van de deportaties naar de concentratie- en vernietigingskampen te verhullen.
2. Onverzettelijkheid: De gemeente weigert enige financiële coulance. Omdat de echtgenoot "uitgezonden" is, vervalt zijn recht op de marktplaats op de Gaaspstraat, tenzij zijn vrouw de plek direct zelf inneemt.
3. Dwang: Door de nadruk op het woord "persoonlijk" en de eis tot onmiddellijke opgave van de handelswaar ("ten spoedigste"), wordt de ontvanger onder zware druk gezet. In de praktijk betekende dit vaak dat Joodse ondernemers hun nering verloren omdat zij door de omstandigheden niet in staat waren de exploitatie voort te zetten.
Bron-evidence
10
Naar aanleiding van Uw brief d.d. 13 October jl. bericht ik U, dat geen vrijstelling van betaling van marktgeld kan worden verleend bij uitzending naar Duitschland.
De aan Uw echtgenoot verleende marktplaats op de markt Gaaspstraat zal derhalve worden ingetrokken, tenzij U <u>persoonlijk</u> van de plaats gebruik wenscht te maken en mij daarvan onder opgave van het door U te verkoopen artikel <u>ten</u> spoedigste kennis geeft.
De aan Uw echtgenoot verleende marktplaats op de markt Gaaspstraat zal derhalve worden ingetrokken, tenzij U <u>persoonlijk</u> van de plaats gebruik wenscht te maken en mij daarvan onder opgave van het door U te verkoopen artikel <u>ten</u> spoedigste kennis geeft.
Mw. J.Vischjager-van Collem, Ruyschstraat 131 II, Amsterdam-Oost. Wijk 11.
De aan Uw echtgenoot verleende marktplaats op de markt Gaaspstraat zal derhalve worden ingetrokken
Mw. J.Vischjager-van Collem, Ruyschstraat 131 II, Amsterdam-Oost. Wijk 11.
De aan Uw echtgenoot verleende marktplaats op de markt Gaaspstraat zal derhalve worden ingetrokken
Naar aanleiding van Uw brief d.d. 13 October jl. bericht ik U, dat geen vrijstelling van betaling van marktgeld kan worden verleend bij uitzending naar Duitschland.
Naar aanleiding van Uw brief d.d. 13 October jl. bericht ik U, dat geen vrijstelling van betaling van marktgeld kan worden verleend bij uitzending naar Duitschland.
De aan Uw echtgenoot verleende marktplaats op de markt Gaaspstraat zal derhalve worden ingetrokken, tenzij U <u>persoonlijk</u> van de plaats gebruik wenscht te maken en mij daarvan onder opgave van het door U te verkoopen artikel <u>ten</u> spoedigste kennis geeft.
Historische Context
De brief is gericht aan Judith Vischjager-van Collem (1899-1942). Haar echtgenoot was Jonas Vischjager (1896-1943), die als koopman op de markt stond. De genoemde Gaaspstraat in de Rivierenbuurt was vanaf november 1941 door de bezetter aangewezen als een van de weinige specifieke "Joodse markten" waar Joodse kooplieden nog mochten staan en Joods publiek mocht winkelen.
Op het moment dat deze brief werd geschreven (22 oktober 1942), waren de grootschalige deportaties vanuit Amsterdam in volle gang. Het is wrang om te zien hoe de gemeentelijke bureaucratie zich op dat moment druk maakte over de strikte inning van marktgeld en het intrekken van vergunningen van mensen die op transport waren gesteld.
Uit historische bronnen (zoals het Joods Monument) blijkt dat Judith Vischjager-van Collem kort na deze brief, op 13 november 1942, in Auschwitz is vermoord. Haar man Jonas kwam daar in januari 1943 om het leven. Dit document illustreert hoe de onteigening van Joods bezit en het ontnemen van middelen van bestaan hand in hand gingen met de fysieke vernietiging.