Handgeschreven notitie/brief op een kaart.
Origineel
Handgeschreven notitie/brief op een kaart. 10 oktober 1942 (genoteerd als "Adam. 10.10.42"). Adam. 10.10.42
nv. [onduidelijk]
Mijne Heeren.
Uit naam van Den Heer I. Davidson
deel ik u mede, dat door ziekte verhinderd was
de contributie te betalen. Thans is het gezin
vertrokken door bemiddeling der Duitsche
Instanties. Beleefd verzoek ik om indien het
mogelijk is bij de Duitsche Autoriteiten bewijzen
te zenden dat deze mensen terug kunnen komen.
hopende u hier mede nota van neemt verblijf ik u bij
voorbaat dankend. De brief is een formeel schrijven gericht aan een instantie (waarschijnlijk de Joodsche Raad in Amsterdam). De afzender treedt op namens de heer I. Davidson. De kern van de boodschap is een verklaring voor een achterstallige betaling ("contributie") die door ziekte niet voldaan kon worden.
Cruciaal is de melding dat het gezin inmiddels is "vertrokken door bemiddeling der Duitsche Instanties". De afzender doet een dringend, beleefd verzoek om bewijsstukken te sturen naar de Duitse autoriteiten in de hoop dat het gezin Davidson zou mogen terugkeren. Dit wijst op een poging om via administratieve weg een deportatie of gedwongen verhuizing terug te draaien. Het woord "gezin" is in de tekst onderstreept om de nadruk te leggen op de ernst van de situatie voor de gehele familie. Het document dateert van oktober 1942, een periode waarin de deportaties van Joodse burgers vanuit Nederland naar de concentratie- en vernietigingskampen in Polen in volle gang waren. De term "bemiddeling der Duitsche Instanties" is een formeel eufemisme voor het optreden van de bezetter.
De genoemde "contributie" verwijst vermoedelijk naar de verplichte bijdrage die Joden moesten betalen aan de Joodsche Raad. In die tijd probeerden veel mensen via de Joodsche Raad "Sperren" (vrijstellingen) te verkrijgen of bewijzen van onmisbaarheid of ziekte te overleggen om deportatie te voorkomen of ongedaan te maken. Deze brief is een tragisch voorbeeld van de bureaucratische strijd die gevoerd werd in een poging om aan de Holocaust te ontsnappen. I. Davidson
Samenvatting
De brief is een formeel schrijven gericht aan een instantie (waarschijnlijk de Joodsche Raad in Amsterdam). De afzender treedt op namens de heer I. Davidson. De kern van de boodschap is een verklaring voor een achterstallige betaling ("contributie") die door ziekte niet voldaan kon worden.
Cruciaal is de melding dat het gezin inmiddels is "vertrokken door bemiddeling der Duitsche Instanties". De afzender doet een dringend, beleefd verzoek om bewijsstukken te sturen naar de Duitse autoriteiten in de hoop dat het gezin Davidson zou mogen terugkeren. Dit wijst op een poging om via administratieve weg een deportatie of gedwongen verhuizing terug te draaien. Het woord "gezin" is in de tekst onderstreept om de nadruk te leggen op de ernst van de situatie voor de gehele familie.
Historische Context
Het document dateert van oktober 1942, een periode waarin de deportaties van Joodse burgers vanuit Nederland naar de concentratie- en vernietigingskampen in Polen in volle gang waren. De term "bemiddeling der Duitsche Instanties" is een formeel eufemisme voor het optreden van de bezetter.
De genoemde "contributie" verwijst vermoedelijk naar de verplichte bijdrage die Joden moesten betalen aan de Joodsche Raad. In die tijd probeerden veel mensen via de Joodsche Raad "Sperren" (vrijstellingen) te verkrijgen of bewijzen van onmisbaarheid of ziekte te overleggen om deportatie te voorkomen of ongedaan te maken. Deze brief is een tragisch voorbeeld van de bureaucratische strijd die gevoerd werd in een poging om aan de Holocaust te ontsnappen.