Dit document is een officieel verzoek en de registratie van de overdracht van een marktvergunning (plaats nr. 66 op de markt in de Gaaspstraat, Amsterdam). De oorspronkelijke houder, H. Doof, is overleden. Zijn weduwe, Bartje Doof-Metzelaar, neemt de rechten op de standplaats over. Er wordt opdracht gegeven om een nieuwe legitimatiekaart voor haar aan te maken. De kaart is voorzien van diverse parafen en data die het administratieve proces laten zien: van de eerste melding op 17 oktober tot de uiteindelijke verwerking en handtekening op 24 oktober 1942. De "M" in het stempel bovenin staat waarschijnlijk voor de afdeling Marktwezen van de gemeente Amsterdam.
Het document dateert uit oktober 1942, midden in de Tweede Wereldoorlog tijdens de Duitse bezetting van Nederland. De namen Doof en Metzelaar zijn veelvoorkomende namen binnen de Joodse gemeenschap in Amsterdam. De markt in de Gaaspstraat lag in de Rivierenbuurt, een wijk met een grote Joodse populatie. In deze periode werden Joodse marktkooplieden steeds verder beperkt in hun doen en laten; velen werden gedwongen hun nering te verplaatsen naar speciaal aangewezen "Joodse markten" of raakten hun vergunning geheel kwijt. Uit archiefonderzoek blijkt dat Hartog Doof in 1942 in Amsterdam is overleden. Bartje Doof-Metzelaar werd later weggevoerd en is in 1943 in Auschwitz vermoord. Dit document vormt daarmee een aangrijpend bewijs van de bureaucratische afhandeling van iemands levensonderhoud, vlak voordat de Holocaust dit leven definitief verwoestte.