Handgeschreven verzoekschrift / brief.
Origineel
Handgeschreven verzoekschrift / brief. H. Hangjas, Valkenierstraat 17 II, Amsterdam. [Stempel linksboven:] № 104/29/M. 1942 31/8
[Rechtsboven:] Amsterdam 28-8-42
[Handgeschreven notitie in ander handschrift:] md. Insp
Weledele Heer
Ondergeteekende H. Hangjas Valkenierstr 17 II A.dam (c)
standplaatshouder Joodsche Markt Joubertstraat
Plaats № 178 (Textielgoederen) vraagt U met
dit schrijven ontheffing of uitstel van betaling
marktgeld omreden hij naar een kamp moet
van de werkverruiming in afwachting bij
voorbaat mijne dank verblijf ik Uw. Dien.
H Hangjas
Valkenierstr 17 II A.dam (C) De brief is een formeel verzoek van Hartog Hangjas aan een gemeentelijke instantie (waarschijnlijk de marktmeester of de inspectie der markten). De toon is beleefd en onderdanig, passend bij de tijdgeest ("Weledele Heer", "Uw. Dien.").
De kern van het verzoek is financieel: Hangjas vraagt om kwijtschelding of uitstel van het marktgeld voor zijn standplaats (nummer 178, textiel) op de Joodse markt aan de Joubertstraat. De reden die hij opgeeft is aangrijpend: hij kan niet meer werken omdat hij "naar een kamp moet". Hij refereert aan de "werkverruiming", een term die door de bezetter werd gebruikt voor de tewerkstelling van Joodse mannen in werkkampen binnen Nederland, wat vaak een voorbode was voor deportatie. Dit document stamt uit augustus 1942, een cruciale fase in de Jodenvervolging in Nederland. Sinds november 1941 waren Joden verplicht om enkel nog handel te drijven op aangewezen "Joodsche markten" (zoals die in de Joubertstraat in de Transvaalbuurt).
De vermelding van de "werkverruiming" is historisch significant. In de zomer van 1942 werden duizenden Joodse mannen opgeroepen voor deze kampen in Noord- en Oost-Nederland. Hoewel dit aanvankelijk werd gepresenteerd als werkverschaffing, werden de meeste van deze mannen in de nacht van 2 op 3 oktober 1942 naar Westerbork gedeporteerd en vandaar naar de vernietigingskampen.
Uit archiefstukken blijkt dat Hartog Hangjas (geboren 1900) inderdaad is vermoord; volgens de registers van de Oorlogsgravenstichting is hij op 31 maart 1944 omgekomen in Midden-Europa. Deze brief vormt een tastbaar bewijs van de administratieve afwikkeling van iemands bestaan op het moment dat de sjoa zijn leven binnendrong. H. Hangjas
Samenvatting
De brief is een formeel verzoek van Hartog Hangjas aan een gemeentelijke instantie (waarschijnlijk de marktmeester of de inspectie der markten). De toon is beleefd en onderdanig, passend bij de tijdgeest ("Weledele Heer", "Uw. Dien.").
De kern van het verzoek is financieel: Hangjas vraagt om kwijtschelding of uitstel van het marktgeld voor zijn standplaats (nummer 178, textiel) op de Joodse markt aan de Joubertstraat. De reden die hij opgeeft is aangrijpend: hij kan niet meer werken omdat hij "naar een kamp moet". Hij refereert aan de "werkverruiming", een term die door de bezetter werd gebruikt voor de tewerkstelling van Joodse mannen in werkkampen binnen Nederland, wat vaak een voorbode was voor deportatie.
Historische Context
Dit document stamt uit augustus 1942, een cruciale fase in de Jodenvervolging in Nederland. Sinds november 1941 waren Joden verplicht om enkel nog handel te drijven op aangewezen "Joodsche markten" (zoals die in de Joubertstraat in de Transvaalbuurt).
De vermelding van de "werkverruiming" is historisch significant. In de zomer van 1942 werden duizenden Joodse mannen opgeroepen voor deze kampen in Noord- en Oost-Nederland. Hoewel dit aanvankelijk werd gepresenteerd als werkverschaffing, werden de meeste van deze mannen in de nacht van 2 op 3 oktober 1942 naar Westerbork gedeporteerd en vandaar naar de vernietigingskampen.
Uit archiefstukken blijkt dat Hartog Hangjas (geboren 1900) inderdaad is vermoord; volgens de registers van de Oorlogsgravenstichting is hij op 31 maart 1944 omgekomen in Midden-Europa. Deze brief vormt een tastbaar bewijs van de administratieve afwikkeling van iemands bestaan op het moment dat de sjoa zijn leven binnendrong.