Archiefdocument
Origineel
25 september 1942. De Directeur (vermoedelijk van de Dienst der Markten of een vergelijkbare gemeentelijke instantie in Amsterdam). HB/RAP.
[In rood potlood/stift:] Verzonden 25/9
Mevrouw B. Hoed-de Vries.
Ben Viljoenstraat 19 III.
Amsterdam-Oost.
Wijk 20.
104/34/2
25 September 1942.
Naar aanleiding van Uw brief d.d. 19 September j.l. bericht
ik U, dat geen vrijstelling van betaling van marktgeld kan worden ver-
leend bij tewerkstelling in een rijkswerkkamp voor Joden. De aan Uw
echtgenoot verleende marktplaats op de markt Joubertstraat zal derhal
ve worden ingetrokken, tenzij U persoonlijk van de plaats gebruik
wenscht te maken en mij daarvan onder opgave van het door U te verkop
pen artikel ten spoedigste kennis geeft.
De Directeur, De tekst in deze brief is een scherp voorbeeld van de kille, ambtelijke manier waarop de uitsluiting en onteigening van de Joodse bevolking in Nederland tijdens de bezetting werd afgehandeld.
De kern van de brief is een afwijzing: omdat de echtgenoot van mevrouw Hoed-de Vries is weggevoerd naar een "rijkswerkkamp voor Joden", vervalt volgens de regels zijn recht op een marktplaats. Er wordt geen enkel medeleven getoond met de situatie; in plaats daarvan wordt gedreigd met het intrekken van de vergunning voor hun standplaats op de markt in de Joubertstraat. De enige optie voor mevrouw om de bron van inkomsten te behouden, is om de plek onmiddellijk zelf in te nemen. De nadruk ligt volledig op de bureaucratische naleving van regels omtrent "marktgeld", terwijl de onderliggende realiteit de gewelddadige ontworteling van een gezin is. De brief is gedateerd op 25 september 1942, een cruciale fase in de Holocaust in Nederland. Sinds januari 1942 werden Joodse mannen gedwongen tewerkgesteld in Nederlandse werkkampen. Dit was een voorstadium van de massale deportaties.
De genoemde locaties zijn veelzeggend: de Ben Viljoenstraat en de Joubertstraat liggen in de Transvaalbuurt in Amsterdam-Oost. Dit was een wijk met een zeer grote Joodse populatie die tijdens de oorlog zwaar werd getroffen door razzia's.
Uit archiefonderzoek (Joods Monument) blijkt dat Hartog Hoed (de echtgenoot) en Bruintje Hoed-de Vries op het moment dat deze brief geschreven werd, hun laatste dagen beleefden. Beiden zijn volgens de officiële gegevens op 30 september 1942 — slechts vijf dagen na de datum op deze brief — vermoord in Auschwitz. Dit document illustreert hoe de Nederlandse bureaucratie tot op het laatste moment bleef functioneren als radertje in het vervolgingsapparaat, zelfs over zoiets triviaals als marktgeld terwijl de betrokkenen al op transport waren naar hun dood.