Dienstbrief / Circulaire
Origineel
Dienstbrief / Circulaire 13 maart 1942 Nederlandsche Groenten- en Fruitcentrale, L. Copes van Cattenburch 62, 's-Gravenhage De Veilingen [Stempel paars:] № 105/20/1 M. 1942 16/3
[Handgeschreven:] Jhr. Brown. [?]
NEDERLANDSCHE GROENTEN- EN FRUITCENTRALE
L. Copes v. Cattenburch 62
Afd.: AFZET
Dict. PKl. Typ. Kr.
No. 92/'42
Toestel 29.
Rb. V.V.u.
[Handgeschreven paraaf]
[Handgeschreven cijfer 7]
AAN DE VEILINGEN
's-Gravenhage, 13 Maart 1942.
Mijne Heeren,
In vervolg op onze aan U toegezonden circulaire no. 596/'41 dd. 10 December 1941, deelen wij U mede, dat bij tuchtbeschikking van de Inspectie voor de Prijsbeheersching het aan onderstaande personen, gedurende het tijdvak achter den naam vermeld, verboden is, het beroep van handelaar in groenten en fruit in den ruimsten zin des woords uit te oefenen.
Wij verzoeken U, voorzoover het Uw veiling aangaat, de noodige maatregelen te treffen als bedoeld in bovengenoemde circulaire.
De namen der veroordeelden zijn:
Johannes Möller, grossier, Lijnbaanstraat 2, Wageningen
van 23 Maart 1942 t/m 22 Juli 1942.
Leendert Antonius Staby, grossier, Sloterweg 5, Badhoevedorp,
van 25 Februari 1942 t/m 24 Mei 1942.
Cornelis de Jong, grossier, Admiraal de Ruyterweg 58 I, Amsterdam
van 9 Maart 1942 t/m 8 Maart 1943.
Jacobus Johannes v.d. Meer, grossier, Zusterstraat 82, 's-Gravenhage,
van 1 April 1942 t/m 30 September 1942.
Hoogachtend,
NEDERL. GROENTEN- EN FRUITCENTRALE:
[Handgeschreven handtekeningen/parafen]
(A) 18826 - '40 Deze brief is een formeel bericht van de 'Nederlandsche Groenten- en Fruitcentrale' (NGF) aan de Nederlandse veilingen. De NGF was tijdens de Tweede Wereldoorlog een door de bezetter gecontroleerd orgaan dat de distributie en handel in groenten en fruit reguleerde.
De kern van de brief is de mededeling van een beroepsverbod voor vier specifieke handelaren (grossiers). Dit verbod is opgelegd door de "Inspectie voor de Prijsbeheersching". Dit orgaan was belast met het handhaven van de prijsvoorschriften die door de Duitse bezetter waren ingevoerd om inflatie en zwarte handel tegen te gaan. De genoemde personen mochten gedurende een bepaalde periode hun beroep "in den ruimsten zin des woords" niet uitoefenen. De veilingen kregen de opdracht om de nodige maatregelen te treffen om dit verbod te effectueren (bijvoorbeeld door hen niet toe te laten tot de handel).
De namen en periodes zijn:
1. Johannes Möller (Wageningen): 4 maanden verbod.
2. Leendert Antonius Staby (Badhoevedorp): 3 maanden verbod.
3. Cornelis de Jong (Amsterdam): 1 jaar verbod (de zwaarste straf in dit rijtje).
4. Jacobus Johannes v.d. Meer ('s-Gravenhage): 6 maanden verbod. Tijdens de Duitse bezetting van Nederland (1940-1945) werd de economie strak gereguleerd. Om schaarste te beheersen en de Duitse oorlogsindustrie te voeden, werden prijzen bevroren en goederen op de bon gedaan (distributiestelsel). De Inspectie voor de Prijsbeheersching trad hard op tegen handelaren die zich niet aan de vastgestelde prijzen hielden of die buiten de officiële kanalen om handelden (de 'zwarte markt').
Documenten zoals deze laten zien hoe de bureaucratische controle op de voedselvoorziening in de praktijk werkte. Het uitsluiten van handelaren van de veiling was een effectieve methode om hen direct in hun bestaan te treffen. De NGF fungeerde hierbij als het uitvoerend apparaat dat de veilingen instrueerde. De precieze aard van de overtredingen van deze vier mannen staat niet in de brief, maar het ging vrijwel zeker om prijs- of distributiedelicten.