Archiefdocument
Origineel
-2-
als afzonderlijk deel vervallen en met het oude deel III tot een nieuw deel II samengevat. Het is de bedoeling, dat alle hoogere kosten, welke niet vallen onder deel I, volgens het nieuwe deel II voor een tegemoetkoming in aanmerking kunnen worden gebracht. Uitzonderingen hierop vormen slechts (zie lid 9 van dit deel) de hoogere kosten, verband houdende met het tijdelijk buiten gebruik of langer beschikbaar moeten blijven van materieel en wegens verhooging van de administratie- en directiekosten, alsmede winstderving. Deze hoogere kosten worden niet vergoed.
Een belangrijk punt in dit nieuwe deel II is, dat de Directeur-Generaal van den Rijkswaterstaat voor beide partijen bindend beslist, of er in beginsel al dan niet aanleiding bestaat tot het verleenen van een tegemoetkoming. Acht de Directeur-Generaal deze aanleiding aanwezig, dan zal, tenzij de Directeur-Generaal in zeer bijzondere gevallen te zijner uitsluitende beoordeeling het percentage hooger stelt, den aannemer in het bedrag van de hoogere kosten een tegemoetkoming worden toegekend van 85%. Over dit deel der regeling is geen arbitrage mogelijk. Het hier aangehaalde vormt een belangrijke afwijking van de tot nu toe geldende bepalingen, waarbij alleen het bedrag der schade door den Directeur-Generaal werd vastgesteld.
Blijkens de toelichting door den Directeur-Generaal op de nieuwe bepalingen gegeven, zal deze zich bij het nemen van een beslissing, of er in beginsel aanleiding bestaat tot het verleenen van een tegemoetkoming, laten voorlichten door een Commissie. Deze Commissie treedt feitelijk in de plaats van de arbitrage-commissie. In verband daarmede heeft sprekers voorganger aan den Directeur der Publieke Werken de vraag gesteld of het in dit geval geen aanbeveling zou verdienen hier een dergelijke Commissie in het leven te roepen als de Directeur-Generaal heeft ingesteld.
De Directeur der Publieke Werken antwoordde hierop bij schrijven van 22 Januari 1943, No. 9543'42/Doss. 10108 Br., dat de aannemers, gezien hetgeen hieromtrent door de bedrijfsgroep Bouwindustrie is gepubliceerd, met de regeling van den Rijkswaterstaat op dit punt in het geheel niet tevreden zijn en zich dan ook noode bij het standpunt van den Rijkswaterstaat hebben neergelegd. Zij blijven bezwaar hebben tegen de figuur, dat al laat de Directeur-Generaal zich door een Commissie adviseeren, hij het recht verkrijgt in de nieuwe oorlogsschade-clausule, voor beide partijen bindend te bepalen, of er al dan niet aanleiding tot schadevergoeding bestaat. Zij vragen zich volgens deze publicaties af, waarom de vroegere regeling niet kon blijven gehandhaafd, waarbij arbitrage over de principieele vraag mogelijk was en alleen het bedrag der schade door den Directeur-Generaal voor beide partijen bindend werd vastgesteld. Dit laatste bedrag werd volgens de oude regeling voor 100% vergoed.
De Directeur der Publieke Werken ziet er geen bezwaar in, om op dit punt de nieuwe regeling met de oude in overeenstemming te brengen door de woorden "voor beide partijen bindend" vermeld in den eersten zin van deel II, lid 6, der Rijksregeling, niet op te nemen in de regeling der Gemeente. Doordat de vaststelling van het bedrag der tegemoetkoming, in analogie met de oude regeling, voor beide partijen bindend door den Burgemeester blijft geschieden – zie art. II, lid 2 – behoudt deze, niettegenstaande het feit, dat volgens de thans voorgestelde redactie over den principieelen kant van de zaak kan worden gearbitreerd, de touwtjes in handen.
Gezien het ruime standpunt, dat door de Gemeente in gevallen van onvoorziene schade ten opzichte van de aannemers als regel wordt ingenomen, deelt spreker de meening van den Directeur der Publieke Werken, dat de door hem voorgestelde wijziging in de bepaling geen moeilijkheden met zich zal brengen.
Naar de meening van spreker verdient het, in verband met de ruimo redactie van het eerste lid van deel II, zeer zeker aanbeveling, dat het verleenen van een tegemoetkoming niet à priori vast staat, doch dat geval voor geval wordt bezien. Overigens geven de leden van deel II aan, op welke wijze het bedrag, dat voor een tegemoetkoming in aanmerking komt, wordt vastgesteld. Als nieuw element is hierbij ingevoerd een uitvoerig werkplan met een bijbehoorende begrooting van kosten, sluitende op het bedrag van de inschrijvingssom en opgemaakt overeenkomstig een door den aanbesteder Het document bespreekt een wijziging in de regeling voor tegemoetkomingen aan aannemers bij gestegen kosten (de 'oorlogsschade-clausule'). De kern van het conflict is de verschuiving van macht: waar voorheen arbitrage mogelijk was over de vraag of er überhaupt recht op vergoeding bestond, wil de Directeur-Generaal van Rijkswaterstaat dit nu bindend en eenzijdig besluiten. Bovendien wordt de vergoeding verlaagd van 100% naar 85%.
De aannemers, verenigd in de 'bedrijfsgroep Bouwindustrie', protesteren hiertegen. In de tekst wordt een compromis gezocht voor gemeentelijke projecten: de Gemeente wil de mogelijkheid tot arbitrage over het principe van de vergoeding behouden (om de aannemers tegemoet te komen), maar de Burgemeester houdt het bindende laatste woord over de hoogte van het uiteindelijke bedrag. Hiermee hoopt de Gemeente de controle te behouden terwijl de juridische weerstand van aannemers wordt verminderd. Dit document stamt uit januari 1943, midden in de Duitse bezetting van Nederland. De bouwsector had in deze periode te maken met enorme onzekerheid door schaarste aan materialen, prijsstijgingen en Duitse vorderingen. De "oorlogsschade-clausule" was essentieel om projecten draaiende te houden, maar de overheid (zowel nationaal als lokaal) probeerde haar financiële risico's te beperken. De spanning tussen de administratieve macht van de bezettingsoverheid en de contractuele rechten van private partijen (zoals het recht op arbitrage) komt hier duidelijk naar voren. De verwijzing naar de "bedrijfsgroep Bouwindustrie" duidt op de corporatieve herstructurering van de economie onder toezicht van de bezetter. Publieke Werken