Archief 745
Inventaris 745-397
Pagina 135
Dossier 17
Jaar 1943
Stadsarchief

Extract uit het Boek der Besluiten van de Burgemeester van Amsterdam.

Vrijdag, 17 september 1943.

Origineel

Extract uit het Boek der Besluiten van de Burgemeester van Amsterdam. Vrijdag, 17 september 1943. No. 327 P.W.1943
744 L.M. 1943
No. 11/46/1 M. 1943/9

Toepassing van schaderegeling op gemeentebestekken.

E x t r a c t
uit het Boek der Besluiten
van den Burgemeester van Amsterdam
Vrijdag, 17 September 1943

De Wethouder voor de Publieke Werken brengt ter tafel:

  1. het rapport van den Directeur der Publieke Werken, dd. 18 Augustus 1943, No. 3497/Doss. 10108 Br., waarbij wordt voorgesteld het vermelde in de circulaire No. 1/1943 van den Directeur-Generaal van den Rijkswaterstaat van 21 April 1943, Lª. O¹, afd. W, betreffende toepassing deel I van de schaderegeling gevoegd bij circulaire No. 8/1942 op bestekken van vóór 29 Augustus 1939, ook van toepassing te verklaren op de gemeentewerken;
  2. de onder 1. bedoelde circulaire No. 1/1943, welke luidt als volgt:
    "In de circulaire No. 8/1942 is o.m. bepaald, dat de aannemers van vóór 29 Augustus 1939 gegunde werken ook een tegemoetkoming kan worden toegekend in de voor hen na 9 Mei 1940 ontstane hoogere kosten, in die gevallen, dat deze hun krachtens deel II van de bij genoemde circulaire gevoegde regeling kan worden toegekend.
    Bij nadere overweging is nu goedgevonden, dat ook deel I van vorengenoemde regeling kan worden toegepast op de hoogere kosten, welke na 9 Mei 1940 zijn ontstaan bij de uitvoering van vóór 29 Augustus 1939 gegunde werken.
    De regeling van 12 December 1939 La. QI, blijft voor de onderhavige werken dus ook thans nog in vollen omvang van kracht voor de periode 29 Augustus 1939 tot 10 Mei 1940.
    Er bestaat geen bezwaar tegen, dat op dit punt reeds afgewikkelde verzoeken van aannemers om tegemoetkoming in de hoogere kosten opnieuw in behandeling worden genomen."

Naar aanleiding van deze circulaire deelt de Wethouder voornoemd mede:
dat de Rijkswaterstaat thans ook de prijsstijgingingen van materialen, vrachten, brandstoffen en verhooging van loonen ontstaan na 9 Mei 1940 voor de werken, welke vóór 29 Augustus 1939 waren gegund, voor 100% in plaats van voor 85% vergoedt;
dat aan het van toepassing verklaren van bovenbedoelde regeling op gemeentewerken in feite geen behoefte bestaat, daar bij punt II van het besluit van den Regeeringscommissaris voor Amsterdam van 20 Juni 1941, No. 70/34m P.W.1939, reeds is bepaald, dat de door de aannemers geleden of te lijden schade door prijsstijging van materialen enz. tengevolge van den oorlogstoestand, van vóór 29 Augustus 1939 aanbestede werken, in den vervolge ten volle voor vergoeding in aanmerking kan komen;
dat, waar in het besluit van den Burgemeester van 30 April 1943, No. 556 P.W.1942, de in de eerste alinea van de bovenvermelde circulaire No. 1/1943 bedoelde regeling ook op de gemeentewerken toepasselijk is verklaard, het voor de uniformiteit wel aanbeveling verdient het in de tweede alinea van de circulaire bepaalde eveneens over te nemen, met dien verstande, dat voor het tijdvak van 29 Augustus 1939 t/m 9 Mei 1940 het bovenaangehaalde besluit van den Regeeringscommissaris van 20 Juni 1941, No. 70/34m P.W.1939 van toepassing blijft en dat in verband met dat besluit reeds afgewikkelde verzoeken van aannemers om tegemoetkoming in de hoogere kosten niet opnieuw in behandeling worden genomen.

Na bespreking wordt door den Burgemeester besloten:

I. de in de bovenbedoelde circulaire No. 1/1943 van den Directeur-Generaal van den Rijkswaterstaat vervatte regeling, zulks met inachtneming van de hiervoor door den Wethouder voor de Publieke Werken gestelde afwijkingen, ook van toepassing te verklaren op de vóór 29 Augustus 1939 aanbestede gemeentewerken;
II. punt II van zijn als Regeeringscommissaris voor Amsterdam genomen besluit van 20 Juni 1941, No. 70/34m P.W.1939 voor de onderhavige werken van toepassing te verklaren over het tijdvak van 29 Augustus 1939 t/m 9 Mei 1940.

Afschrift van dit besluit zal worden gegeven aan de afdeelingen Publieke Werken (20 stuks), Financiën (4 stuks), Gemeentebedrijven (17 stuks), Volkshuisvesting (5 stuks) en voorts aan alle overige afdeelingen der Gemeentesecretarie, alsmede aan het Pensioenbureau, het Bureau Gemeentesecretaris en den Gemeente-ontvanger.

Voor eensluidend extract,
de Gemeentesecretaris,
C.S. Stadhuis,
A'dam 9-'43 No. 64
(get.) J. F. FRANKEN Dit document betreft een administratieve bijstelling van de vergoedingen aan aannemers die werkzaamheden verrichtten voor de gemeente Amsterdam. Door de oorlogsomstandigheden (vanaf mei 1940) stegen de kosten voor materialen, loon en brandstof explosief. Voor contracten die vóór de mobilisatie (29 augustus 1939) waren afgesloten, waren deze prijsstijgingen niet voorzien.

De kern van het besluit is dat de gemeente Amsterdam haar regels gelijkstelt aan die van de Rijkswaterstaat. Concreet betekent dit dat prijsstijgingen na 9 mei 1940 nu voor 100% vergoed worden in plaats van 85%. Er wordt echter een belangrijk voorbehoud gemaakt: voor de periode tussen de mobilisatie en de feitelijke inval (augustus 1939 - mei 1940) worden reeds afgehandelde dossiers niet heropend, in tegenstelling tot de landelijke richtlijn. Dit duidt op een behoefte aan administratieve efficiëntie of budgettaire beheersing op lokaal niveau. Het document dateert uit september 1943, midden in de Duitse bezetting van Nederland. De bestuurlijke structuur van Amsterdam was in deze periode aangepast aan het 'leidersbeginsel'. De gemeenteraad was afgeschaft en de Burgemeester (Edward Voûte) handelde vaak met de bevoegdheden van een "Regeeringscommissaris", een titel die in de tekst ook expliciet wordt genoemd bij de verwijzing naar een besluit uit 1941.

De verwijzing naar 9 en 10 mei 1940 markeert het begin van de bezetting en de economische ontregeling die daarop volgde. Dergelijke schaderegelingen waren essentieel om te voorkomen dat bouwprojecten en publieke werken stil kwamen te liggen doordat aannemers failliet gingen door de enorme inflatie en schaarste van bouwmaterialen in oorlogstijd. De distributielijst onderaan het document toont de omvang van het ambtelijk apparaat (o.a. Publieke Werken, Financiën, Volkshuisvesting) dat betrokken was bij de uitvoering van dit besluit.

Samenvatting

Dit document betreft een administratieve bijstelling van de vergoedingen aan aannemers die werkzaamheden verrichtten voor de gemeente Amsterdam. Door de oorlogsomstandigheden (vanaf mei 1940) stegen de kosten voor materialen, loon en brandstof explosief. Voor contracten die vóór de mobilisatie (29 augustus 1939) waren afgesloten, waren deze prijsstijgingen niet voorzien.

De kern van het besluit is dat de gemeente Amsterdam haar regels gelijkstelt aan die van de Rijkswaterstaat. Concreet betekent dit dat prijsstijgingen na 9 mei 1940 nu voor 100% vergoed worden in plaats van 85%. Er wordt echter een belangrijk voorbehoud gemaakt: voor de periode tussen de mobilisatie en de feitelijke inval (augustus 1939 - mei 1940) worden reeds afgehandelde dossiers niet heropend, in tegenstelling tot de landelijke richtlijn. Dit duidt op een behoefte aan administratieve efficiëntie of budgettaire beheersing op lokaal niveau.

Historische Context

Het document dateert uit september 1943, midden in de Duitse bezetting van Nederland. De bestuurlijke structuur van Amsterdam was in deze periode aangepast aan het 'leidersbeginsel'. De gemeenteraad was afgeschaft en de Burgemeester (Edward Voûte) handelde vaak met de bevoegdheden van een "Regeeringscommissaris", een titel die in de tekst ook expliciet wordt genoemd bij de verwijzing naar een besluit uit 1941.

De verwijzing naar 9 en 10 mei 1940 markeert het begin van de bezetting en de economische ontregeling die daarop volgde. Dergelijke schaderegelingen waren essentieel om te voorkomen dat bouwprojecten en publieke werken stil kwamen te liggen doordat aannemers failliet gingen door de enorme inflatie en schaarste van bouwmaterialen in oorlogstijd. De distributielijst onderaan het document toont de omvang van het ambtelijk apparaat (o.a. Publieke Werken, Financiën, Volkshuisvesting) dat betrokken was bij de uitvoering van dit besluit.

Kooplieden in dit dossier 53

A. Hoogland Waterlooplein [rood:] mk was weer verzocht. Geen restitutie
Jan Huygen Waterlooplein mk
J.B. Middelburg Waterlooplein m.k.
A Ridderkhof Waterlooplein m.k.
A. Boogaard Waterlooplein
C. Slot Waterlooplein m.k.
C. Dorenbos Waterlooplein 28.04
C. Faasse Waterlooplein mk
J. Haastrecht Waterlooplein 160.12
C. Kooij Waterlooplein 140
C. Timmerman Waterlooplein mk
C. Timmerman Waterlooplein mk
C. Timmerman Waterlooplein mk
C. Timmerman Waterlooplein mk
D. Bakker Waterlooplein 2797
H.A.J. Heleuklake Waterlooplein
Jacob Pots Waterlooplein
F.J. Koningsbrugge Waterlooplein mk
Gebr Lanooy Waterlooplein mk
Gorel en Kuilenburg Waterlooplein 7648.
G Sold Waterlooplein Idem. mk
G.J. v.d. Hoed Waterlooplein 71.19
G. der Voort Waterlooplein mk
G. v.d. Zee Waterlooplein m.k.
J. Kamman Waterlooplein in lading [rood: vertrokken]
H. v. d. Horst Waterlooplein [Aantekening in cirkel:] ligt volgens schipperlaat 215 / a/d motor kade authalve geen / remunerie
J.A. Arends Waterlooplein mk
J.A. Arends Waterlooplein mk [rood:] Staat niet in schippersboek vermeld. [groen:] op de dag over.
J. Bake Waterlooplein mk
J. Blom Waterlooplein van C & B m.k. [rood: gekomen]
Alle 53 kooplieden →

Gerelateerde Documenten 6