Getypte brief (doorslag op dun papier).
Origineel
Getypte brief (doorslag op dun papier). 4 juni 1943. De Directeur (waarschijnlijk van de Gemeentelijke Controledienst of een aan de voedselvoorziening gerelateerde dienst). [Handgeschreven in paars:] extra
2c/16/3 M. 4 Juni 1943 vD/SV
Den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
============
Onder terugzending van het met Uw
kantbrief d.d. 20 Mei jl. om advies ont-
vangen stuk no. 374 L.M. 1943 heb ik de
eer U te berichten, dat ik terzake een
onderzoek heb doen instellen; het resultaat
hiervan doe ik U in bijlage dezes, ver-
werkt in een rapport van den controleur
Felthuis van mijn Dienst, toekomen. Ik
merk nog op dat als regel de levering van
groenten geschiedt op Wehrmachtbezugschein
door de veilingen uit het voor export be-
stemde gedeelte via groothandelaar en klein
handelaar.
Hieruit blijkt, dat zich in de
zaak van Frans Kat inderdaad groenten
kunnen bevinden, welke niet voor verkoop
aan de bevolking is bestemd.
De Directeur, De brief is een reactie op een eerdere aanvraag van de Wethouder voor de Levensmiddelen betreffende een mogelijke onregelmatigheid bij een groentehandelaar.
- Kern van de zaak: Een controleur genaamd Felthuis heeft onderzoek gedaan naar de zaak van Frans Kat. De conclusie is dat er groenten aanwezig waren die niet voor de reguliere distributie (de Nederlandse burgerbevolking) bedoeld waren.
- Juridische/Procedurele context: De aanwezigheid van deze groenten wordt gelegitimeerd door de "Wehrmachtbezugschein". Dit was een officieel bewijs waarmee de Duitse bezetter aanspraak maakte op goederen. Deze goederen kwamen uit het quotum dat voor "export" (naar Duitsland of voor eigen gebruik van het Duitse leger) was gereserveerd.
- Conclusie van de brief: De aangetroffen voorraad bij Frans Kat is legaal verklaard binnen het kader van de distributieregels van de bezetter, omdat deze via de officiële kanalen (veiling, groothandel) voor de Wehrmacht bestemd was. Dit document is een treffend voorbeeld van de bureaucratische werkelijkheid in bezet Nederland in 1943. Terwijl de burgerbevolking te maken had met toenemende schaarste en strenge rantsoenering, werd een aanzienlijk deel van de landbouwproductie via de "export"-regeling direct naar de Duitse Wehrmacht gesluisd. Inspectiediensten moesten constant verifiëren of voorraden bij winkeliers "zwarthandel" betroffen dan wel legitieme leveringen aan de bezetter waren. De term "export" fungeerde hierbij vaak als eufemisme voor vordering door de bezetter. De brief toont aan hoe lokale autoriteiten gedwongen waren mee te werken aan en toezicht te houden op dit systeem. Wehrmacht
Samenvatting
De brief is een reactie op een eerdere aanvraag van de Wethouder voor de Levensmiddelen betreffende een mogelijke onregelmatigheid bij een groentehandelaar.
- Kern van de zaak: Een controleur genaamd Felthuis heeft onderzoek gedaan naar de zaak van Frans Kat. De conclusie is dat er groenten aanwezig waren die niet voor de reguliere distributie (de Nederlandse burgerbevolking) bedoeld waren.
- Juridische/Procedurele context: De aanwezigheid van deze groenten wordt gelegitimeerd door de "Wehrmachtbezugschein". Dit was een officieel bewijs waarmee de Duitse bezetter aanspraak maakte op goederen. Deze goederen kwamen uit het quotum dat voor "export" (naar Duitsland of voor eigen gebruik van het Duitse leger) was gereserveerd.
- Conclusie van de brief: De aangetroffen voorraad bij Frans Kat is legaal verklaard binnen het kader van de distributieregels van de bezetter, omdat deze via de officiële kanalen (veiling, groothandel) voor de Wehrmacht bestemd was.
Historische Context
Dit document is een treffend voorbeeld van de bureaucratische werkelijkheid in bezet Nederland in 1943. Terwijl de burgerbevolking te maken had met toenemende schaarste en strenge rantsoenering, werd een aanzienlijk deel van de landbouwproductie via de "export"-regeling direct naar de Duitse Wehrmacht gesluisd. Inspectiediensten moesten constant verifiëren of voorraden bij winkeliers "zwarthandel" betroffen dan wel legitieme leveringen aan de bezetter waren. De term "export" fungeerde hierbij vaak als eufemisme voor vordering door de bezetter. De brief toont aan hoe lokale autoriteiten gedwongen waren mee te werken aan en toezicht te houden op dit systeem.