Brief (handgeschreven).
Origineel
Brief (handgeschreven). 18 juni 1943. Een anonieme "eenvoudige huismoeder". [Links boven:]
Heer
Van Meurs
LM
[Rechts boven:]
Amsterdam 18 Juni 1943.
Aan den Weledgeboren Heer Voûte
Burgemeester van Amsterdam.
Hooggeachte eb. h. de Burgemeester.
Als eenvoudige huismoeder neem ik beleefd
de vrijheid het woord tot u te richten. eb. h. de Burgemeester:
Ik wilde u beleefd doch zeer dringend vragen of er niet iets aan te doen
is dat onze H. H. (groentehandelaren) groentehandelaren ons niet geven, wat ons via
de Centraal markt wordt toebedeeld? Uren moeten we wachten om iets te
bemachtigen en als we dan de groenten zien binnenbrengen, komen er van de
10 kisten groenten, misschien 5 in de winkel en de rest verdwijnt, omdat de groen,,
handelaren daarmee rijk willen worden. Om nog maar te zwijgen van de vreeselijke
onheusche behandeling die wij als moeders van huisgezinnen moeten ondergaan.
eb. h. de Burgemeester: zoudt u zoo goed willen zijn om daar eens krachtdadig
tegen te willen optreden? We hebben al eenige malen de Prijsbeheersching
opgebeld, maar dat is tot nog toe zonder eenig resultaat gebleven.
Ik ben er van overtuigd, dat u als hoogste vertegenwoordiger van onze
goede stad Amsterdam, daar zeer zeker wel iets aan kan doen.
Het gaat hier om het belang van onze huisgezinnen en voornamelijk om de
gezondheid van onze kinderen. Ik weet wel, eb. h. de Burgemeester, dat we
een bezet land zijn en dat we een bezettingsleger moeten voeden, maar
ik ben er van overtuigd dat er op de markt nog wel een portie voor
ons overblijft als we dat portie dan ook inderdaad maar kregen
en niet behoefden aan te zien, dat het voor onze ogen verkocht wordt
voor 3 x zoo duur. In deze brief uit de pen van een Amsterdamse huismoeder wordt een dwingend moreel beroep gedaan op de burgemeester om in te grijpen in de voedseldistributie. De kern van de klacht is tweeledig:
1. Zwarte handel en corruptie: De schrijfster stelt dat groentehandelaren slechts de helft van de binnengekomen voorraad eerlijk verkopen. De rest wordt "achtergehouden" om op de zwarte markt voor woekerprijzen (drie keer de normale prijs) te worden verkocht.
2. Sociale misstanden: De "onheusche behandeling" van vrouwen die urenlang in de rij moeten staan.
De schrijfster erkent expliciet de realiteit van de oorlog ("bezet land", "bezettingsleger voeden"), maar klaagt over de extra onrechtvaardigheid die voortkomt uit de hebzucht van de eigen middenstand. Opvallend is dat zij aangeeft dat officiële instanties zoals de Prijsbeheersching niet effectief optreden, waardoor zij zich direct tot het hoogste burgerlijke gezag wendt. De brief dateert uit juni 1943, een periode waarin de voedselschaarste in bezet Nederland steeds nijpender werd. Amsterdam stond onder het bestuur van Edward Voûte, een pro-Duitse burgemeester die door de bezetter was aangesteld. Hoewel Voûte collaboreerde, bleven veel burgers hem schrijven als de 'vader van de stad' die de lokale orde en eerlijkheid moest bewaken.
De Centrale Markt (tegenwoordig het Food Center Amsterdam) was het centrale punt voor de distributie van groenten. De Prijsbeheersching (Bureau voor de Prijsbeheersing) was de instantie die moest toezien op maximumprijzen en de bestrijding van de zwarte markt. In de praktijk floreerde de illegale handel echter, omdat de schaarste zo groot was dat handelaren enorme winsten konden maken buiten de bonkaarten om. Dit document biedt een intiem kijkje in de dagelijkse overlevingsstrijd en de frustratie van de burgerbevolking over de groeiende wetteloosheid en het gebrek aan handhaving tijdens de oorlogsjaren.