Handgeschreven memo of ambtelijke notitie op gelinieerd papier.
Origineel
Handgeschreven memo of ambtelijke notitie op gelinieerd papier. 20 augustus 1943 (afgeleid van de stempel "M. 1943 20/8"). [Bovenaan losse notities:]
helden : Valstar. Monman
Harmse gezocht winkel }
Harmse vonden } in ’t dam
afspraak maken met Heer Valstar. -
~~400~~
[Hoofdtekst:]
Wij hebben indertijd gegadigden opgeroepen om vóór de gesloten winkel een standplaats te exploiteeren. Hiervoor was niet veel animo, en de gevallen die wel doorgingen bleken weinig te voldoen.
Ook hebben wij gedacht over een Verwalter of curator in de gesloten winkel te zetten. Hierop had het stadsbestuur om juridische redenen bezwaar b.v. Omdat immers kapitaal moet de gesloten onder curatele staande winkel worde gedreven?
[Ondertekening:]
M. C. Bergs. [?]
[Stempel/Kenmerk:]
No. 20/60/1 M. 1943 20/8
2 e. Het document is een interne ambtelijke notitie betreffende het beheer van een "gesloten winkel". De tekst weerspiegelt een administratieve worsteling met leegstaande of in beslag genomen bedrijfspanden.
De schrijver vermeldt twee mislukte pogingen om het pand weer een functie te geven:
1. Standplaatsen: Het toestaan van handelaren om vóór de gevel van de winkel een standplaats in te nemen. Dit leverde echter weinig belangstelling en magere resultaten op.
2. Verwalter/Curator: Het aanstellen van een beheerder. De term "Verwalter" is hier cruciaal; dit was de specifieke term die tijdens de Duitse bezetting werd gebruikt voor bewindvoerders die door de nazi-instanties werden aangesteld om toezicht te houden op (meestal Joodse) bedrijven.
Het stadsbestuur maakte bezwaar tegen dit plan op juridische gronden, specifiek gerelateerd aan de kapitaalinbreng die nodig zou zijn om een bedrijf dat "onder curatele" staat draaiende te houden. De tekst eindigt met een vraagteken, wat duidt op een onopgeloste beleidskwestie. Dit document stamt uit augustus 1943, een periode waarin de economische "gelijkschakeling" en de onteigening van Joodse bezittingen in vol opgetrokken gang waren. Winkels waarvan de eigenaren waren weggevoerd of ondergedoken, kwamen leeg te staan.
De Nederlandse gemeentebesturen moesten in die tijd laveren tussen de verordeningen van de Duitse bezetter en de bestaande Nederlandse wetgeving. Het gebruik van het woord "Verwalter" (een Duitse term die in het Nederlands ambtelijk taalgebruik werd overgenomen) duidt direct op de invloed van de Wirtschaftsprüfstelle of de Omnia Treuhandgesellschaft, instanties die belast waren met de liquidatie of "Arisering" van Joodse bedrijven. De discussie over "kapitaal" en "curatele" suggereert dat men zocht naar een manier om het economisch verval van winkelstraten tegen te gaan zonder de juridische verantwoordelijkheid voor schulden of investeringen op zich te nemen. C. Bergs Omnia
Samenvatting
Het document is een interne ambtelijke notitie betreffende het beheer van een "gesloten winkel". De tekst weerspiegelt een administratieve worsteling met leegstaande of in beslag genomen bedrijfspanden.
De schrijver vermeldt twee mislukte pogingen om het pand weer een functie te geven:
1. Standplaatsen: Het toestaan van handelaren om vóór de gevel van de winkel een standplaats in te nemen. Dit leverde echter weinig belangstelling en magere resultaten op.
2. Verwalter/Curator: Het aanstellen van een beheerder. De term "Verwalter" is hier cruciaal; dit was de specifieke term die tijdens de Duitse bezetting werd gebruikt voor bewindvoerders die door de nazi-instanties werden aangesteld om toezicht te houden op (meestal Joodse) bedrijven.
Het stadsbestuur maakte bezwaar tegen dit plan op juridische gronden, specifiek gerelateerd aan de kapitaalinbreng die nodig zou zijn om een bedrijf dat "onder curatele" staat draaiende te houden. De tekst eindigt met een vraagteken, wat duidt op een onopgeloste beleidskwestie.
Historische Context
Dit document stamt uit augustus 1943, een periode waarin de economische "gelijkschakeling" en de onteigening van Joodse bezittingen in vol opgetrokken gang waren. Winkels waarvan de eigenaren waren weggevoerd of ondergedoken, kwamen leeg te staan.
De Nederlandse gemeentebesturen moesten in die tijd laveren tussen de verordeningen van de Duitse bezetter en de bestaande Nederlandse wetgeving. Het gebruik van het woord "Verwalter" (een Duitse term die in het Nederlands ambtelijk taalgebruik werd overgenomen) duidt direct op de invloed van de Wirtschaftsprüfstelle of de Omnia Treuhandgesellschaft, instanties die belast waren met de liquidatie of "Arisering" van Joodse bedrijven. De discussie over "kapitaal" en "curatele" suggereert dat men zocht naar een manier om het economisch verval van winkelstraten tegen te gaan zonder de juridische verantwoordelijkheid voor schulden of investeringen op zich te nemen.